Wat is de betekenis van last?

2021
2022-01-21
Blockchain

Blockchain woordenboek

Last

last is een verkorting van last sale, de prijs van een cryptocurrency van de meest recent uitgevoerde transactie op een specifiek exchange.

2019
2022-01-21
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

last

last - Zelfstandignaamwoord 1. iets wat een mens hindert Ik heb erge last van hoofdpijn. 2. (transport) lading, vracht last - Werkwoord 1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lassen ♢ Jij last 2. derde persoon enkelvoud tegenw...

Lees verder
2018
2022-01-21
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

last

last - zelfstandig naamwoord 1. wat je stoort of belemmert ♢ in de zomer hebben we last van vliegen 1. hij is mij niet tot last [hij stoort of belemmert mij niet] 2. een loden l...

Lees verder
2017
2022-01-21
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Last

Last - de last hebben: dronken zijn. Syn.: blauw zijn.

2003
2022-01-21
Financieel Woordenboek

Door Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

last

last - Engelse term voor laatst gedane koers ofwel de koers waarop de laatste transactie is verricht.

1998
2022-01-21
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Last

de - hebben dronken zijn. Bargoense uitdr. Al bij Koster Henke.

Lees verder
1981
2022-01-21
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Last

1. een opdracht of mandaat betreffende de wijze van belangenbehartiging, door de kiezers aan hun vertegenwoordigers verstrekt; 2. verplichting bij een schenking. Als b.v. iemand zijn huis aan de stad van zijn inwoning schenkt met de last dit als een museum te gebruiken, wordt de stad wel eigenares van het huis, maar kan het huis worden teruggevorde...

Lees verder
1973
2022-01-21
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

last

I. m., 1. wat op een persoon of zaak is geladen, vracht: lastdieren dienen om lasten te dragen; deze kolommen zijn te zwak om de van het gebouw te dragen; 2. iets dat door zijn gewicht zich verzet tegen een beweging naar boven, m.n. bij een hefboom; 3. verplichting, taak, zorg, die rust op een persoon of zaak: de opgelegde last moet door de hele...

Lees verder
1958
2022-01-21
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

LAST

Josephus Carel Franciscus (Jef), Nederlands dichter en prozaïst (Den Haag 2.5.1898—). In verschillende romans Fr. motieven, zo bijv. Zuiderzee (1934), Elfstedentocht (1941). Het eerste schip op de Newa (1946) vertelt van de Hindeloper Auke Wybes (ca. 1703).

Lees verder
1954
2022-01-21
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Last

Oude inhoudsmaat voor natte en droge waren, plaatselijk en voor verschillende waren verschillend. Als belangrijkste noemen wij het Amsterd. graanlast = 29,46 hl en het Ned. last = 30 hl (z. Maten en gewichten).

Lees verder
1952
2022-01-21
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Last

s.; (lading), lêst, fracht; (bevel) lêst, hyt (it), hjit (it), oarder; (hinder, verdriet), lêst (it), hinder (it) muoite, dear, earmoed, ellinde, fortriet (it), ûnstalten, pl.; totzijn, pleagje; — hebben van, it to krijen hawwe mei; iets tot zijnhebb...

Lees verder
1950
2022-01-21
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Last

m. (-en), 1. wat op een persoon of zaak is geladen, vracht: de lastdieren dienen om lasten te dragen; hij bezweek haast onder de last die men hem had opgelegd; deze kolommen zijn te zwak om de last van het gebouw te dragen. 2. (nat.) iets dat door zijn gewicht zich verzet tegen een beweging naar boven, inz. bij een hefboom, tgo...

Lees verder
1949
2022-01-21
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

last

hij heb de last, zoveel hij dragen kan, knap dronken. lat stok; sabel; kerfstok. Me olmse had daar aardig op de lat gedronken, op de pof, op crediet.

Lees verder
1937
2022-01-21
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

last

I. m. lasten (1 zwaartedruk; al wat zwaar is; zwaar voorwerp; 2 iets moeilijks; druk, nood; Z.-N. lastpost; 3 [scheeps]lading; vracht; 4 voorschrift, opdracht; 5 belasting): 1. een last dragen, onder een last bezwijken; 2. de last der jaren, der zorgen, de druk; zonder kinderen te zijnen laste; iem. iets ten laste leggen, van iets beschuldigen; las...

Lees verder
1937
2022-01-21
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Last

1. Handelsmaat voor granen: 30 Hl. Een last rogge, een last maïs. De benaming is zeer oud en dagteekent uit den tijd, toen men het graan met paard en wagen vervoerde naar de markten.2.Een maat voor binnenschepen : 2000 Kg. Deze wordt echter ook wel aangegeven in tonnen van 1000 Kg. De inhoud van zeeschepen wordt aangegeven in tonnen van 2,83 k...

Lees verder
1933
2022-01-21
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Last

1) = 30 hl graan, wegende 1500/2400 kg; 2) Amsterdamsche l., ruimtemaat in schepen = 2,8 m3.

Lees verder
1933
2022-01-21
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Last

Oorspr. een inhoudsmaat in den graanhandel (= 30 hl). Thans is het een gewichtseenheid. Voor vsch. goederen is het gewicht van een l. verschillend. Voor tarwe is het 2400 kg, voor gerst 2000 kg, voor haver 1500 kg. Deze aantallen worden niet steeds als basis genomen. Zoo wordt bij de graancontracten de provisie van tusschenpersonen berekend per l.,...

Lees verder
1916
2022-01-21
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Last

Een hoeveelheid van 30 H.L.

1910
2022-01-21
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Last

Last - inhoudsmaat in Nederland voor granen, 1 last = 30 H.L. Zie graanmaten. — maat, waarin de scheepsruimte van een binnenvaartuig gewoonlijk uitgedrukt wordt. — het gewicht of de inhoudsmaat van goederen bij groote hoeveelheid, meest gebruikelijk als scheepsmaat of gewicht. In Frankrijk en Duitschland wordt 1 last gerekend = 1000 K.G. (1 ton),...

Lees verder
1898
2022-01-21
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Last

Het begrip last heeft 3 verschillende betekenissen: 1. last - Last m. (-en), zwaar voorwerp, vracht, zwaarte: de lastdieren dienen om lasten te dragen; hij bezweek haast onder den last, dien men hem had opgelegd; deze kolommen zijn te zwak, om den last van zulk een gebouw te dragen; — inz. lading van een schip, scheepslading: last innemen, l...

Lees verder