Wat is de betekenis van last?

2019
2021-01-20
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

last

last - Zelfstandignaamwoord 1. iets wat een mens hindert Ik heb erge last van hoofdpijn. 2. (transport) lading, vracht last - Werkwoord 1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lassen ♢ Jij last 2. derde persoon enkelvoud tegenw...

Lees verder
2018
2021-01-20
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

last

last - zelfstandig naamwoord 1. wat je stoort of belemmert ♢ in de zomer hebben we last van vliegen 1. hij is mij niet tot last [hij stoort of belemmert mij niet] 2. een loden l...

Lees verder
2017
2021-01-20
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Last

Last - de last hebben: dronken zijn. Syn.: blauw zijn.

2003
2021-01-20
Financieel Woordenboek

Door Frits Conijn & R.M. van Poll (2003)

last

last - Engelse term voor laatst gedane koers ofwel de koers waarop de laatste transactie is verricht.

1998
2021-01-20
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Last

de - hebben dronken zijn. Bargoense uitdr. Al bij Koster Henke.

Lees verder
1973
2021-01-20
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

last

I. m., 1. wat op een persoon of zaak is geladen, vracht: lastdieren dienen om lasten te dragen; deze kolommen zijn te zwak om de van het gebouw te dragen; 2. iets dat door zijn gewicht zich verzet tegen een beweging naar boven, m.n. bij een hefboom; 3. verplichting, taak, zorg, die rust op een persoon of zaak: de opgelegde — moet door de hel...

Lees verder
1958
2021-01-20
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

LAST

Josephus Carel Franciscus (Jef), Nederlands dichter en prozaïst (Den Haag 2.5.1898—). In verschillende romans Fr. motieven, zo bijv. Zuiderzee (1934), Elfstedentocht (1941). Het eerste schip op de Newa (1946) vertelt van de Hindeloper Auke Wybes (ca. 1703).

Lees verder
1950
2021-01-20
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Last

m. (-en), 1. wat op een persoon of zaak is geladen, vracht: de lastdieren dienen om lasten te dragen; hij bezweek haast onder de last die men hem had opgelegd; deze kolommen zijn te zwak om de last van het gebouw te dragen. 2. (nat.) iets dat door zijn gewicht zich verzet tegen een beweging naar boven, inz. bij een hefboom, tgo...

Lees verder
1949
2021-01-20
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

last

hij heb de last, zoveel hij dragen kan, knap dronken. lat stok; sabel; kerfstok. Me olmse had daar aardig op de lat gedronken, op de pof, op crediet.

Lees verder
1937
2021-01-20
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Last

1. Handelsmaat voor granen: 30 Hl. Een last rogge, een last maïs. De benaming is zeer oud en dagteekent uit den tijd, toen men het graan met paard en wagen vervoerde naar de markten.2.Een maat voor binnenschepen : 2000 Kg. Deze wordt echter ook wel aangegeven in tonnen van 1000 Kg. De inhoud van zeeschepen wordt aangegeven in tonnen van 2,83 k...

Lees verder
1933
2021-01-20
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Last

Oorspr. een inhoudsmaat in den graanhandel (= 30 hl). Thans is het een gewichtseenheid. Voor vsch. goederen is het gewicht van een l. verschillend. Voor tarwe is het 2400 kg, voor gerst 2000 kg, voor haver 1500 kg. Deze aantallen worden niet steeds als basis genomen. Zoo wordt bij de graancontracten de provisie van tusschenpersonen berekend per l.,...

Lees verder
1916
2021-01-20
Technisch woordenboek

H.J. van Eyk

Last

Een hoeveelheid van 30 H.L.

1910
2021-01-20
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Last

Last - inhoudsmaat in Nederland voor granen, 1 last = 30 H.L. Zie graanmaten. — maat, waarin de scheepsruimte van een binnenvaartuig gewoonlijk uitgedrukt wordt. — het gewicht of de inhoudsmaat van goederen bij groote hoeveelheid, meest gebruikelijk als scheepsmaat of gewicht. In Frankrijk en Duitschland wordt 1 last gerekend = 1000 K.G. (1 ton),...

Lees verder
1898
2021-01-20
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Last

zie Bevel.

1898
2021-01-20
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Last

Het begrip last heeft 3 verschillende betekenissen: 1. last - Last m. (-en), zwaar voorwerp, vracht, zwaarte: de lastdieren dienen om lasten te dragen; hij bezweek haast onder den last, dien men hem had opgelegd; deze kolommen zijn te zwak, om den last van zulk een gebouw te dragen; — inz. lading van een schip, scheepslading: last innemen, l...

Lees verder
1870
2021-01-20
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Last

Last, afkomstig van laden, beteekent in de eerste plaats het geheel der goederen, waarmede een schip bevracht is. Men spreekt daarbij van ballast, of een last van zand, steenen, enz., waarmede men een ledig vaartuig bezwaart, om het op zee tegen omslaan te behoeden, en van bovenlast, namelijk dat gedeelte der goederen, hetwelk boven het dek wordt o...

Lees verder