2019-06-16

Laban

Laban, oom en schoonvader van aartsvader Jakob, bezitter van veel vee. Vee van Laban, tuig van Laban, gespuis, tuig. Laban was de broer van aartsvader Jakobs moeder Rebekka. Toch was hij niet makkelijk voor zijn neef en aanstaande schoonzoon. Uit de verhalen in het bijbelboek Genesis blijkt hij een inhalige man en een bedrieger te zijn. Zijn naam kon daarom uitstekend gebruikt worden ter versterking van vee (dat hij in ruime mate bezat) in de betekenis ‘gespuis, tuig’. De uitdrukking is dus...

Lees verder
2019-06-16

Laban

Hebreeuws 'de witte'. Naam van de vader van Lea en Rachel, schoonvader van Jacob (Genesis 28-31). In St.-Maartensdijk heeft volgens mededeling de naam mogelijk een andere herkomst. De eerste drager van deze naam werd daar gedoopt in 1707 als zoon van Dennis Laban, afkomstig uit Schotland en oorspronkelijk Loban geheten. In 1621 huwde Willem Loban van Schotland in Stavenisse. Loban werd Laban. De latere Leunis Laban was waarschijnlijk trots op zijn 'Bijbelse' familienaam en noemde zijn zoon Laban...

Lees verder
2019-06-16

Laban

Laban (de Witte) was, volgens berigten des Ouden Testaments, een wélgezeten inwoner van Haran in Mesopotamië, de zoon van Bethuël, de broeder van Rebekka, de vader van Lea en Rachel en de schoonvader van Jacob.

2019-06-16

Laban

m. (bijb.) naam van den inhaligen en bedrieglijken schoonvader van Jakob; vee of tuig van Laban, inhalig, listig volk; een kind van Laban, blank van huid.