Wat is de betekenis van kwant?

2022
2022-08-08
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

kwant

(16e eeuw, vero.) (Mnl. quant) (vaak in ongunstige zin) vent; snuiter. Betekende aanvankelijk: kameraad, metgezel. • De uitzuipers vólgden hém, als hondjes; wyl hy gróf, En groot verteerde, én voor een ieder open hóf, En tafel hield. Toen wierd ik Nob’le kwant geheeten… (Willem Blaeu & An...

Lees verder
2020
2022-08-08
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

kwant

Het begrip kwant heeft 2 verschillende betekenissen: 1) kerel. 2) rare snuiter.

Lees verder
2019
2022-08-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kwant

kwant - Zelfstandignaamwoord 1. een zonderling Wat een rare kwant is hij toch!

Lees verder
1994
2022-08-08
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Kwant

(nat.) zie quant.

1973
2022-08-08
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Kwant

Remigius Cornelis, Ned. filosoof, *1918 Warmenhuizen. Kwant studeerde als augustijn te Rome, Leuven en Parijs (neothomisme). Te Utrecht maakte hij kennis met de fenomenologische school. Hij raakte vervreemd van de scholastieke filosofie en ging zich bewegen op het vlak van het existentiële en fenomenologische denken. Door de contacten met Sart...

Lees verder
1955
2022-08-08
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Kwant

(Barg.) flink

1952
2022-08-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kwant

s., klant, hâns; een vreemde —, in raer (stik) potiten.

1950
2022-08-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kwant

I. zn. m. (-en), 1. gezel, (jonge) vent: een vrolijke, losse kwant; 2. snaak, snuiter, gast: een vreemde, rare kwant', II. bn., (diev.) flink: dat vind ik kwant van hem.

Lees verder
1949
2022-08-08
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

kwant

flink. Dat vind ik kwant van hem.

1937
2022-08-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kwant

m. kwanten (snaak; vrolijke Frans).

1898
2022-08-08
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kwant

KWANT, m. (-en), snaak, schalk, guit, vroolijke gast: een vreemde, rare kwant; een vroolijke, losse kwant. KWANTJE, o. (-s).

1898
2022-08-08
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Kwant

zie Gast.