Wat is de betekenis van Kruin?

2019
2021-10-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kruin

kruin - Zelfstandignaamwoord 1. het bovenste deel van het hoofd, dat gewoonlijk met haar bedekt is In sommige kloosterordes hebben de monniken een kruinschering of tonsuur, waarbij het haar van de kruin wordt weggeschoren.

Lees verder
2018
2021-10-16
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kruin

kruin - zelfstandig naamwoord 1. plek op je hoofd waar je haren in het rond groeien ♢ de meeste mensen hebben een kruin achterop hun hoofd 2. het bovenste deel van een boom ♢ in de kruin van de boom zaten tie...

Lees verder
2017
2021-10-16
Waterschap Peel en Maasvallei

Dijkverbetering & hoogwaterbescherming

Kruin

De kruin is het hoogste vlak boven op de waterkering.

2016
2021-10-16
Waterveiligheid

Ministerie Infrastructuur en Milieu en ENW

Kruin

Het hoogste punt van het dijklichaam.

1973
2021-10-16
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kruin

v./m. (-en), 1. bovenste deel van het hoofd, m.n. de plek vanwaar de haren als stralen in het rond uitgaan; bij de — begon hij kaal te worden; schedel, kop: een kale, een grijze —; 2. kaal geschoren plek achter op de schedel bij r.k. geestelijken, tonsuur; 3. (bij verdere uitbreiding) hoofd: het schort hem in de —, hij is niet g...

Lees verder
1952
2021-10-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kruin

s., krún; (van het haar), draeiwarrel; (van een dijk), kop, krune, krún; (van een boom), krún, kroan(e), top.

1950
2021-10-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Kruin

v. (-en), 1. kaal geschoren plek achter op de schedel bij Rooms-Katholieke geestelijken, tonsuur; 2. bovenste deel van het hoofd, bep. de plek vanwaar de haren als stralen in ’t rond uitgaan: bij de kruin begon hij kaal te worden; hij heeft een dubbele kruin, twee haarwervels; — (bij uitbr.) schedel, kop : een kale, een grijze...

Lees verder
1949
2021-10-16
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Kruin

bovenvlak van een lichaam van grond, steen of rijswerk (aardebaan*, dam*, dijk* enz.). Zij is begrepen tussen de beide kruinlijnen, de overgangen naar de wederzijdse belopen.

1898
2021-10-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kruin

Kruin v. (-en), geschoren schedel van Roomsch-Katholieke geestelijken; — bovenste deel van het hoofd, waar voor- en achterhoofd zich scheiden: eene kale kruin; — hij heeft eene dubbele kruin, twee haarwervels op de kruin; — (fig.) hoofd: het schort hem in de kruin, hij is niet wel bij zijn verstand; — hij kan dat niet in...

Lees verder
1898
2021-10-16
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Kruin

zie Bekkeneel.