Wat is de betekenis van krankzinnig?

2019
2022-10-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

krankzinnig

krankzinnig - Bijvoeglijk naamwoord 1. lijdend aan een ernstige psychische ziekte Een krankzinnige koning was een ramp voor het land. 2. overdrachtelijk en afgezwakt: op een vreemde manier zeer opmerkelijk Hij kreeg soms de krankzinnigste vragen te...

Lees verder
2018
2022-10-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

krankzinnig

krankzinnig - bijwoord, bijvoeglijk naamwoord uitspraak: krank-zin-nig 1. in hoge mate, zeer ♢ die hoed was krankzinnig duur 1. geestelijk ziek ♢ zijn moeder is krankzinnig geworden ...

Lees verder
1973
2022-10-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

krankzinnig

bn. en bw. (-er, -st), 1. geestesziek, niet goed wetend wat men doet, gek; 2. blijk gevend van gestoordheid van de geestelijke vermogens: dat is een krankzinnige daad; — te werk gaan; (oneig.) dat is —, uiterst dwaas, onzinnig.

Lees verder
1954
2022-10-04
Medisch Encyclopedie 1954

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Krankzinnig

een zodanige mate van geestesziekte, dat de patiënt niet meer maatschappelijk is te handhaven, hetzij wegens gevaar voor anderen, hetzij voor zichzelf.

1952
2022-10-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Krankzinnig

adj., net goed mei de holle, dwylsinnich, sljochtsinnich; hij is — geworden, it is him yn ’e sinnen, yn ’e holle slein.

1950
2022-10-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Krankzinnig

bn. bw. (-er, -st), 1. geestesziek, door ziekelijke storing der geestvermogens niet in staat zichzelf te leiden of de rechten van anderen te eerbiedigen, niet goed weten wat men doet, gek ; 2. blijk gevend van gestoordheid der geestelijke vermogens: dat is een krankzinnige daad ; krankzinnig te werk gaan, zoals men van een krankzinni...

Lees verder
1937
2022-10-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

krankzinnig

1. bn.; eig. ziek van zinnen, gek, niet wijs; 2. krankzinnige, m. en v. -n; iem., die krankzinnig, gek is.

Lees verder
1933
2022-10-04
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Krankzinnig

➝ Krankzinnigheid.

1930
2022-10-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

krankzinnig

(krank'sinnəch) bn. en bw. (-er, -st) ziek van zinnen, gek : worden; een idee; handelen. Syn. → dol.

1898
2022-10-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Krankzinnig

Krankzinnig bn. bw. (-er, -st), door ziekelijke storing der geestvermogens niet juist oordeelen, niet goed weten wat men doet, gek; (bij uitbr.) dat is eene krankzinnige daad; krankzinnig te werk gaan, zooals men van een krankzinnige alleen verwachten kan. KRANKZINNIGLIJK, bw. op krankzinnige wijze. KRANKZINNIGHEID, v. toestand van iem. die krankzi...

Lees verder
1898
2022-10-04
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Krankzinnig

zie Dwaas