Wat is de betekenis van kram?

2024-02-29
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

kram

kram - Zelfstandignaamwoord 1. haak, gesp, hechting De wond werd met krammetjes dichtgehecht. 2. U-vormig gebogen bevestigingsmiddel met spitse punten Krammen worden onder andere gebruikt voor het vastmaken van prikkeldraad of ijzerdraad aan palen en het...

2024-02-29
Jargon & Slang van Wielrenners

Marc De Coster (2017)

Kram

Kram - 'de fiets aan de krammen hangen': stoppen met wielrennen. 'Uit z'n krammen schieten': de aanval inzetten, in actie komen (meestal na een weinig actieve periode). Vlaamse uitdr.

2024-02-29
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

kram

kram - zelfstandig naamwoord 1. haak in de vorm van een hoefijzer, met puntige uiteinden ♢ met een kram was de draad vastgemaakt aan het schot Zelfstandig naamwoord: kram de kram de krammen ...

2024-02-29
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

kram

- uit zijn krammen schieten, erg kwaad worden of erg actief worden, in actie komen. Ik kan af en toe echt uit mijn krammen schieten en dan is er geen houden aan, maar normaal gezien probeer ik het bij argumenten te houden. - DM, 26-10-2002.

Wil je toegang tot alle 18 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-29
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

kram

1. In de verb. in, uit zijn kram(men) schieten, van pers.: zijn zelfbeheersing verliezen, van woede enz. barsten, uit zijn vel springen, zeer boos zijn of worden enz.; - minder gewoon: iem. in zijn krammen jagen, iem. boos maken. Dat ge ... ook wel eens „in uw krammen schiet” en uitvaart tegen alle gezond verstand in, is d...

2024-02-29
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

kram

U-vormige (metaal)haak; slotplaat; gekram, met ‘n kram vasmaak.

2024-02-29
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Kram

s., kram(p).

2024-02-29
Duits woordenboek (DU-NL)

Dr. H. W. J. Kroes (1951)

Kram

kraam, kleinhandel; der ganze Kram, de hele rommel, boel; seinen Kram verstehen, zijn zaakjes weten, zijn werk verstaan; der gelehrte Kram, het geleerde gedoe.

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Kram

v. (-men), 1. hoefijzervormige staaf of draad van ijzer, koper enz., aan beide einden van een punt voorzien, die ergens ingedreven wordt om in het zo gevormde oog iets te bevestigen of in te hangen, b.v. een deur of een venster; — ook derg. voorwerp met doken ter verbinding van stenen; — soms ook voor duim of houvast gebruikt; 2. (gew....

2024-02-29
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Kram

gebogen metalen haak met puntige uiteinden.

2024-02-29
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

kram

v. krammen; houvast, hoefijzervormige metalen haak: een bijbel met krammen.

2024-02-29
Woordenboek voor praktische kennis

Dr. L.M. Metz (1937)

Kram

Een U-vormige spijker met twee punten, die gebruikt wordt om liggende voorwerpen aan elkaar te bevestigen. Een mattenkram van een behanger is breed en dient om vloermatten naast elkaar op den vloer te bevestigen. Een wondkram van den heelmeester dient om een wond te hechten. Zulk een kram bestaat uit een reepje blik met puntjes aan het einde. Het r...

2024-02-29
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

kram

v. (-men; -metje) I. Eig. gebogen metalen haak met puntige uiteinden : iets aan een hangen. II. Metf. 1. slotplaat : een bijbel met zilveren -men. 2. Veroud. ineengedraaid en als een kram in de grond omgebogen bosje stro om riet of stro op een dijkglooiing vast te houden, thans : beugel.

2024-02-29
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

kram

v./m. (-men), 1. hoefijzervormige metalen haak aan beide einden van een punt voorzien; ook zo’n voorwerp met doken ter verbinding van stenen; (gew.) uit zijn kram(men) schieten, uit zijn slof schieten; 2. beugel van stro bij een krammat of bebeugeling.

2024-02-29
Vivat's Geïllustreerde Encyclopedie

J. Kramer (1908)

Kram

hertogdom en kroonland der oostenrijksch-hongaarsche monarchie (cisleithaansch gedeelte), ligt tusschen Karinthië, Stiermarken, Kroatië, Istrië en Görz en Gradisca, is een 9956 km.2 groot, met deelen der Oost-Alpen bedekt bergland, met vele merkwaardige grotten (Adelsberger grot enz.); de hoogste berg is de Krainer Sneeuwberg, 1...

2024-02-29
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Kram

Kram v. (-men), hoefijzervormige staaf of draad van ijzer, koper enz., gewoonlijk aan beide einden van punten voorzien; — knier (van eene deur of een venster); — slotplaat: een bijbel met zilveren krammen; — (dijkw.) poppen stroo in den grond gestoken om het op het dijksbeloop gespreide glui vast te houden. KRAMMETJE, o. (-s), k...

2024-02-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Kram

Kram, v. (-men), ijzeren duim met twee punten; haak; knier (van eene deur of een venster); slotplaat.

2024-02-29
Zeemans woordenboek

Jacob van Lennep (1865)

Kram

z.n.v. - ’t Woord beteekent “grijping, omklemming,” even als de meeste woorden die met kr aanvangen, als “krijgen, krabben, krib” enz. Een kram bestaat uit twee evenwijdig gestelde, gelijke yzeren of koperen spijkers, aan hun boveneind rechthoekig of met een bocht te samen verbonden.