Wat is de betekenis van kost?

2020
2022-11-27
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Kost

Verkorting van Christiaan of Constantinus. Vgl. Constantinus dictus Kostken, Schijndel 1442.

2019
2022-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kost

kost - Zelfstandignaamwoord 1. de prijs: de kost gaat de baat vooruit 2. (voeding) voeding: de kost verdienen kost - Werkwoord 1. enkelvoud tegenwoordige tijd van kosten 2. gebiedenwijs van kosten Verwante begrippen [2] levensmiddel, voeder, voedingsmiddel, voedsel, voer, onkosten

Lees verder
2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kost

kost - zelfstandig naamwoord 1. wat je bij de maaltijd tot je neemt ♢ boerenkool is stevige kost 1. kost en inwoning [eten en slapen] 2. beter de buik gebarsten dan de kost bedo...

Lees verder
2015
2022-11-27
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

kost

kosten Bij datacenters blijft koeling de voornaamste kostprijs, of beter gezegd: hoe minder je mechanisch moet koelen, hoe lager de stroomfactuur en dus de operationele kost. (Data News Nederlands) Het enkelvoud 'kost' in deze betekenis komt vooral voor in samenstellingen in ambtelijke taal: de meerkost, de loonkost. Geen...

Lees verder
2004
2022-11-27
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

kost

(de) - de kost van iets, de kosten van iets zie inwoon, loonkost. - kost wat kost, (het) koste wat het kost, het koste wat het wil.

Lees verder
1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kost

m. (—en), datgene wat voor iets betaald wordt of moet worden; thans alleen in het mv. behalve in verbindingen met ten en in enkele zegsw.: ieder droeg iets tot (of in) de kosten van het feest bij; het boek is de kosten van het binden niet waard; op geen kosten zien; de kosten bestrijden; dekken, dragen, op anderen verhalen; directe en indirec...

Lees verder
1964
2022-11-27
voornamen

Voornamenboek

Kost

m Verkorting van Christiaan of Constantinus. Vgl. Constantinus dictus Kostken, Schijndel 1442.

Lees verder
1963
2022-11-27
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

kost

: (de) gele kost, bijnaam voor een Eertijds bestaand jongensinternaat van de Hernhutters (zie E.B.G.). Mijn vader behoorde tot een bijzonder slag Negers. De door de Duitsers opgevoede volksjongens. Gele kost.\ Zo noemde men het internaat. Het waren Negërs, maar ‘fijne Negers’ (Dobru 1969:15).-Etym.: ‘Geel’ heeft betr. o...

Lees verder
1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kost

s., kost; bij iem. in de — zijn, by immen thúslizze, yn ’e kost lizze; ergens in de — gaan, jin by immen yn ’e kost bistelle; iem. op de — hebben voor het middagmaal, immen op it miel hawwe; een goede — hebben, it goed fan iten en drinken hawwe; de — gaat voor de...

Lees verder
1951
2022-11-27
Duits woordenboek (DU-NL) 1951

Dr. H. W. J. Kroes

Kost

kost, onderhoud, voedsel; in Kost geben, in de kost doen; prolongeren; in Kost nehmen, in de kost nemen; op prolongatie houden.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kost

m. (-en), 1. datgene waarop een zaak die verhandeld -wordt, een handeling, gebeurtenis enz. die plaats heeft, te staan komt, wat er voor betaald wordt of moet worden, de prijs er van, hetzij op zichzelf beschouwd, of, gewoonlijk, met betr. tot een belanghebbend persoon ; thans alleen in het mv., behalve in verb. met ten en in enkele zegsw. :...

Lees verder
1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kost

m., in bet. 3 -en; 1. spijs, voedsel: gezonde kost; dat is oude (Z.-N. verwarmde) kost, fig. niets nieuws; dat is dagelijkse kost voor mij, heel gewoon; dat is geen kost voor knapen, dat deugt niet voor knapen; 2. dagelijks levensonderhoud: in de kost zijn bij iem.; met kost en inwoning; een jongen bij iem. in de kost doen; wat doet hij voor de kos...

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

kost

m. (–en; –je) I. meestal k o s t e n Eig. geldelijke uitgaaf : veel –en maken; de –en bestrijden; veel –en besteden aan iets; iemand tot –en dwingen, veroordelen; op eigen –en; te mijnen –e; dat maakt de –en (niet) goed; de –en gelijk verdelen, omslaan; iemand veroordelen in de –en...

Lees verder
1916
2022-11-27
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Kost

Kost. - Indien het loon van een werknemer geheel of gedeeltelijk in inwoning, kost, of andere levensbehoeften is vastgesteld, is de werkgever verplicht dit, mits overeenkomstig de vereischten van gezondheid en goede zeden, volgens plaatselijk gebruik te voldoen. Elk beding, waardoor deze verplichting des werkgevers zoude worden uitgesloten of beper...

Lees verder
1898
2022-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kost

Het begrip kost heeft 2 verschillende betekenissen: 1. kost - KOST, m. (-en), spijs, voedsel: smakelijke kost, slechte kost; dat is geen kost voor uw mand; — (fig.) van geestelijk voedsel: zeker, de poëzie van Potgieter is zware kost; — gezonde kost, b.v. van degelijke, niet prikkelende lectuur; — dat is geen kost voor kin...

Lees verder
1898
2022-11-27
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Kost

zie Eetwaar.

1864
2022-11-27
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Kost

Kost, m. (B.v.) gmv. spijs, voedsel, voeding, onderhoud; ergens of bij iem. in den - zijn, van spijs en drank worden voorzien; - en inwoning, voeding en huisvesting; den - winnen, zijn levenson- derhoud@#verdienen. -, kostgeld; (fig.) bij sint-Joris in den - zijn, ergens kosteloos eten of drinken. *-, m. (B.v.), *-EN, mv. uitgaven; ten koste van,...

Lees verder
1573
2022-11-27
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Kost

Costus hortensis, piperitis, siliquastrum.

Lees verder