Wat is de betekenis van Komen?

2024-02-28
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

komen

1) (1975) (euf.) klaarkomen; een orgasme krijgen. Onder invloed van het Engelse ‘to come’. • Toen we bij elkaar alles hadden afgezoend, en ik overal was binnengedrongen, lagen we hijgend tegen elkaar aan. Ik zei twee onlogische dingen: ‘Ik hou er zo van als je komt,’ terwijl ik zelf net was gekomen, … (Adriaan va...

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

komen

komen - Werkwoord 1. ergatief bewegen van verder weg naar dichterbij 2. ergatief een orgasme hebben, klaarkomen Woordherkomst afkomstig van: Middelnederlands: comen Oudernederlands: kuman Germaans: *kwemanan Synoniemen [2] klaarkomen Antoniemen [1] gaan

2024-02-28
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

komen

komen - onregelmatig werkwoord uitspraak: ko-men 1. de plaats bereiken, er verschijnen ♢ vader komt thuis 1. wie het eerst komt, het eerst maalt [wie er het eerste bij is, heeft de eerste kans]...

2024-02-28
Jargon & Slang van Prostituees en pooiers

Marc De Coster (2017)

Komen

Komen - een orgasme beleven, klaarkomen. Wellicht onder invloed van Eng. to come.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Woordenboek van Eufemismen

Marc de Coster (2004)

komen

Een orgasme beleven. Minder direct dan klaarkomen*. Wellicht onder invloed van het Engelse ‘to come’, met dezelfde betekenis. Zie ook: aan z’n gerief* komen. Oké, ik ga hier voorbij aan het feit dat liefde, houden van en warmte veel belangrijker zijn maar als dat allemaal zo is hoeveel mannen zijn dan bereid niet te ejaculeren als jij niet komt? Ik...

2024-02-28
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

komen

(kwam, gekomen) - iemand /horen/voelen komen, zijn plannen door komen, weten waar hij naartoe wil. - ik /hoor/voel je al komen, nu ik wat je wilt, ik door je wel - er door komen, beter worden, het halen - duur te staan komen, duur komen te staan - dat boek komt te verschijnen, is net verschenen

2024-02-28
Woordenboek van Neologismen

Marc de Coster (1999)

Komen

Komen - (onder invloed van Eng. to come), informele verkorting van klaarkomen ‘een orgasme hebben’. De drank maakte haar uitermate hoerig en roekeloos. ‘Pas een beetje op, lieverd. Dadelijk kom ik nog.’ ‘Ik wil dat je komt.’ Playboy, maart 1987 En als het vrouwtje dan niet gekomen is, dan ligt het toch zeker wel aan haar en het is veel te pijnlijk...

2024-02-28
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans (1977)

komen

komen - 1°. In de verb. bij iem. komen, copuleren met -. 'Nee,' haar stem klonk hol. ‘Nee, blijf hier. Ik wil dat jullie allemaal bij me komen.’ ‘Wanneer ik klaar ben met een meisje, heeft ze d’r geen behoefte aan nog door iemand anders genaaid te worden,’, L. 61. 2°. Klaarkomen. Ik voelde haar komen,...

2024-02-28
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

komen

(kwam, is gekomen), (ook, ongeveer:) eraan komen, (iemand) te wachten staan. Laat OGEM over ons arme mensen regeren. Het gaat nog voor ze komen, wacht. Allemaal stuk voor stuk die grote bedrijven, je gaat zien! (Cairo 1976: 47). Het gaat voor je komen = Er zwaait wat voor je, het zal je betaald gezet worden, er staat je wat te wachten.-: kom horen,...

2024-02-28
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Komen

v., komme, k a e m, k o m m e n, (k o m d, k a e m); het er maar op aan laten —, it op it rammeljen fan ’e pels oankomme litte, roasje soargje litte; er komt niets van, it sakket nei it gat, der komt gjin forfolch op; er kan niets van —, it kin neat wurde; er bovenop —, by de wâl...

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Komen

(kwam, is gekomen), onoverg. ww., duidt in het alg. een beweging aan met betr. tot haar doel of eindpunt, gezien van dit punt uit, soms ook in de richting van de beweging. I. (gezien van het eindpunt uit) 1. na volbrachte beweging verschijnen op het punt waarop de beweging gericht was of dat althans op haar baan ligt, het tegengestelde van gaan...

2024-02-28
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Komen

(Fr. Comines), stad in België, prov. W.Vlaanderen. 1404 ha, 8139 inw. Tabaksteelt. Textielindustrie.

2024-02-28
Winkler Prins Encyclopedie

E. de Bruyne, G.B.J. Hiltermann en H.R. Hoetink (1947)

KOMEN

(Frans: Comines) is een tweetalige gemeente in West-Vlaanderen, bij de Franse grens, aan de Leie en het kanaal Ieper-Komen, op vlakke leem- en zandbodem, groot 1404 ha, met (1949) 8205 inw.; tabaksteelt, textielnijverheid, brouwerijen. Een vrije jaarmarkt en het lakenbedrijf verklaren de bloei van het stadje in de Middeleeuwen. Noord-Komen b...

2024-02-28
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

komen

kwam, is gekomen (1 zich begeven naar de plaats of veronderstelde plaats van den spreker of den toegesprokene; 2 naderen; 3 geschieden, gebeuren; 4 met een onbepaalde wijs en te; geraken in de toestand, die de onbepaalde wijs aangeeft; 5 in verbinding met voorzetsels en andere woorden in allerlei betekenissen): 1. ik zal dadelijk komen; per trein,...

2024-02-28
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Komen

(Fr. Comines), 1° Een stad in de prov. West-Vlaanderen, aan de Leie en het kanaal van leper naar de Leie. Opp. 1 404 ha; ca. 7 700 inw. (Kath.). Kleistreek; tabaksteelt; weefnijverheid, vooral getwijnd garen. K. werd gansch vernield door den Wereldoorlog. 2° Een gem. in Fransch Vlaanderen (XI 143 E2), kanton Kiesenet a. d. Eule. Ca. 6 400 i...

2024-02-28
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

komen

('ko:mən) (kwam, is gekomen) 1. zich begeven naar een plaats, waar degene die spreekt, tot wie of van wie men spreekt, zich bevindt: hij komt vandaag ; naar huis, tegemoet ; de trein komt nog niet; met de boot, ver fiets, per spoor, per trein, ver vliegtuig, te voet -; aan land, aan wal -. Gez. bij iemand -, hem bezoeken ; die eerst komt, di...

2024-02-28
Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Komen

Komen, - zie GOMINES.

2024-02-28
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

komen

(kwam, is gekomen), onoverg. ww. duidt in het algemeen een beweging aan met betrekking tot haar doel of eindpunt, gezien van dit punt uit, soms ook in de richting van de beweging, I. (gezien van het eindpunt uit) 1. na volbrachte beweging verschijnen op het punt waarop de beweging gericht was of dat althans op haar baan ligt, het tegengestel de va...

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Komen

KOMEN, (kwam, is gekomen), zich naar de plaats begeven, waar degene die spreekt of tot wien men spreekt is, of verondersteld wordt te zijn; het tegengestelde van gaan; ik kom spoedig naar huis; de trein komt nog niet; — vaak met eene nadere bepaling van de wijze, hoe men komt: naast, voor, achter iem. komen; met de boot, per spoor, te voet ko...

2024-02-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Komen

Komen, ow. onr. (ik kwam, ben gekomen), aankomen; aan land -; voor den dag -; zich vertoonen; nader -, naderen, in iemands plaats -, de plaats -, de betrekking van iem. innemen, overnemen; te gemoet -, te gemoet gaan; te boven -, doorstaan; overwinnen; om het leven -, sterven; achter een geheim -, het ontdekken, vernemen; van niets tot iets -, van...