Wat is de betekenis van koersen?

2019
2021-08-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

koersen

koersen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord koers

Lees verder
2018
2021-08-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

koersen

koersen - regelmatig werkwoord uitspraak: koer-sen 1. een bepaalde kant op gaan ♢ het schip koerste naar de haven Regelmatig werkwoord: koer-sen ik koers jij/u koerst ...

Lees verder
2017
2021-08-04
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Koersen

Koersen - deelnemen aan een wedstrijd; wielrenner zijn; hard rijden.

2010
2021-08-04
Wielerwoordenboek

Geschreven door Fons Leroy en Wim van Rooy

koersen

koersen: fietsen, wielrennen.

2009
2021-08-04
Groot wielerwoordenboek

Geschreven door Marc De Coster

koersen

Deelnemen aan een wedstrijd; wielrenner zijn; hard rijden. Als ze u altijd nerveus maken en u altijd tegenwerken, hebt ge geen moraal meer om te koersen. (Stan Lauryssens: De Flandriens. 1973) Koersen is geen arbeid. Het is meer een spel. (Noël Truyers: Pedaalridders. 1992)

Lees verder
2009
2021-08-04
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

koersen

(onov ww; koerste; h. gekoerst) - fietsen, deelnemen aan een wielerwedstrijd • Het woord koersen heeft meer inhoud dan racen; iemand die kan racen, kan nog niet altijd koersen. Racen is snelheid maken en koersen is die snelheid via tactiek en ook wel techniek (...) omzetten in resultaat. (ZOMER)

Lees verder
1973
2021-08-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

koersen

(koerste, heeft gekoerst), 1. (onoverg.) de koers richten of houden, koers zetten (naar): het schip koerste naar het noorden; (fig.) gaan, zich be wegen; 2. (overg.) schatten, begroten, ramen: een afstand, de prijs van iets —; klaarspelen: dat zal hij wel —; 3. (gew.) racen, rennen.

Lees verder
1952
2021-08-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Koersen

v., koertse.

1950
2021-08-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Koersen

(koerste, heeft gekoerst), 1. (onoverg.) de koers richten of houden, koers zetten (naar): het schip koerste naar het Noorden; — (fig.) gaan, zich bewegen; 2. (overg.) schatten, begroten, ramen: een afstand-, de prijs van iets koersen; — klaarspelen: dat zal hij wel koersen; 3. (onoverg.) (Zuidn.) wedstrijd houden.

Lees verder
1898
2021-08-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Koersen

(koerste, heeft gekoerst), den koers richten, koers zetten naar: het schip koerste naar het noorden; — (fig.) schatten, begrooten, ramen: een afstand, den prijs van iets koersen; — klaarspelen: dat zal hij wel koersen. KOERSING, v. het koersen.

Lees verder