Wat is de betekenis van knol?

2022
2022-09-29
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

knol

1) (1769) (Barg.) groot horloge. Syn.: raap*. • Dikwijls blijft men zich de vergelijking bewust, bv bij spoten scheldwoorden : zwijn, aap, zoutzak, knol (horloge).... (Dirk Cornelis Tinbergen: Nederlandsche spraakkunst. 1916) • Knol: horloge. (Tijdschrift voor Nederlandsche taal-en letterkunde, Volumes 46-48. 1927) • Knol: horloge....

Lees verder
2020
2022-09-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

knol

Het begrip knol heeft 4 verschillende betekenissen: 1) verdikking van een plantenstengel. plantendeel bestaande uit een vlezige verdikking van het ondergrondse gedeelte van een stengel of van een wortel, dat dient als opslagplaats voor voedsel en als voortplantingsbeginsel, en dat bij een aantal planten zoals de aardappel, de koolrabi, de ko...

Lees verder
2019
2022-09-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

knol

knol - Zelfstandignaamwoord 1. een verdikte wortelstok waarin een plant voedsel opslaat 2. (groente) koolraap, een eetbare wortel van een plant uit het geslacht Brassica We hebben gisteren een knolletje gegeten. 3. een aftands werkpaard En [dit was] niet...

Lees verder
2018
2022-09-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

knol

knol - zelfstandig naamwoord 1. dier met vier benen, om op te rijden of om te laten trekken ♢ voor dat werk heb je een stevige boerenknol nodig 2. dikke wortel ♢ een suikerbiet is een eetbare knol ...

Lees verder
2017
2022-09-29
Marc De Coster

Auteur van o.a. Het Groot Scheldwoordenboek

Knol

Knol -tumor. Syn.: nieuwvorming.

2016
2022-09-29
Culinair van a tot z

Culinair van a tot z

knol

Verzamelnaam voor massieve wortel- en stengeldelen, die zich vaak onder de aarde bevinden. Knolgewassen komen in vele variëteiten, vormen en grootten voor.

1990
2022-09-29
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

knol

knol - De verdikking van een ondergrondse stengel, wortel of wortelstok, waarin voedsel wordt opgeslagen, met knopjes waaruit nieuwe planten kunnen groeien.

1981
2022-09-29
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Knol

1. een verdikt, onderaards stengeldeel, b.v. bij de aardappel; knoet 2. een verdikte wortel. Zulke wortelknollen hebben b.v. de orchideeën en de dahlia’s. Alle knollen bevatten voedingsstoffen en dienen voor de voortplanting, knolamaniet', de gevaarlijkste giftige paddestoel uit ons land, komt hier in twee soorten voor. De witte kno...

Lees verder
1976
2022-09-29
Gerben Abma

Encyclopedie van het hedendaagse Friesland (1976)

KNOL

Wereldberoemde fokstal te Hartwerd. Hier werd door Sijmen A. Knol de naam Adema gegeven aan een hulpboekkoe. De naam Adema kreeg wereldwijde vermaardheid door een tiental, uit de stallen van de familie Knol afkomstige, uitmuntende stamboekstieren.

Lees verder
1974
2022-09-29
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

knol

massief stengel- of worteldeel; ondergronds; opslag van reservevoedsel. Men onderscheidt: stengelknollen (bladschubben en knoppen dragend) en wortelknollen (zonder bladschubben en met slechts één of zonder knop). Dit zijn verdikte wortels.

Lees verder
1973
2022-09-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

knol

m. (len), 1. een gezwollen deel van een sten gel of wortel van een plant, dat reservevoedsel bevat (e); 2. een deels uit vlezige wortel en deels uit stengel bestaande knol, die voorkomt bij een variëteit van het raapzaad (Brassica rapa), ook raap geheten; de ze knol dient als voedselopslagplaats; wij hebben vanmiddag knollen gegeten; (spr.) i...

Lees verder
1954
2022-09-29
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Knol

1. (gewas) Knollen, knolgroen of gruun(t), Jirassica rapa L. var. rapifera METZGER, wordt als landbouwgewas in Ned. vrijwel uitsluitend als stoppelgewas geteeld. Vooral in Eng. worden ook zomer-k. (turnips) als hoofdgewas voor de veevoeding verbouwd, waarbij de teelt nauw aansluit bij die van de koolraap. Van de koolraap onderscheidt de k. zich do...

Lees verder
1952
2022-09-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Knol

s.; (plantk.), knol; (raap), raep; — van de zandgrond, sân-, wâldraep; iem. -len voor citroenen verkopen, immen fyfskaft foar lekken, stront foar stientsjes, stront foar saffraen forkeapje; (oud paard), guds, gûl, knol, bok, brik.

1950
2022-09-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Knol

m. (-len), 1. (plantk.) verdikt, vlezig, meestal onderaards stengel- of worteldeel, bewaarplaats voor reservevoedsel en middel tot voortplanting van versch. gewassen: de aardappelziekte heeft op sommige akkers het loof aangetast, terwijl de knol tot dusverre nog gaaf is; — gerokte knol, als liet vlezig gedeelte door enige droge,...

Lees verder
1949
2022-09-29
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Knol

(Brassica rapa, rapifora), cultuurvorm van B. rapa (raapzaad*, boterzaad). Wordt verbouwd om de vlezige knolvormig verdikte wortel. Knollen (tubeva) zijn dikke, vlezige onderaardse wortel- of stengeldelen. Meestal bevatten ze een grote hoeveelheid reservevoedsel. Wortelkn. vinden we bij Dahlia, Speenkruid, Orchis.; Stengelkn. bij Crocus, Gladiolus,...

Lees verder
1939
2022-09-29
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Knol

Oud paard, wordt vaak als citroen verkocht.

1937
2022-09-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

knol

m. knollen, knolletje (1 massief wortel- of stengeldeel, dat zich meestal onder de aarde bevindt; vlezige wortel van raapzaad; 2 fig. oud, afgewerkt paard; ook: ouderwets, versleten horloge): 1. zegsw. zie citroen; 2. wat een knol! nog: Z.-N. knobbelziekte der knollen.

Lees verder
1933
2022-09-29
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Knol

verdikt deel v/d stengel of wortel v. verschill. planten, dikwijls eetbaar.

1933
2022-09-29
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Knol

(Lat. Tuber), een dik, vleezig, meestal onderaardsch gedeelte van stengel of wortel, gevuld met reservevoedsel, vooral zetmeel, rietsuiker, inuline of slijm, welke in de cellen van het parenchym zijn opgestapeld. Bij vele meerjarige planten dienen knollen voor de overwintering, bij vele woestijnen steppen-planten voor het overblijven gedurende een...

Lees verder
1930
2022-09-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

knol

m. (-Ien; -letje) I. Eig. 1. dik, vlezig, onderaards stengeldeel, gewichtig voor de voortplanting van sommige planten : de -len der aardappelplant. 2. Inz. raapknol : in de herfst staan de -len op het veld ; iemand -len voor citroenen verkopen, hem iets minderwaardigs als iets kostbaars in de hand stoppen, hem bedotten, bedriegen. Syn. raap. II....

Lees verder