Synoniemen van Knar

2020-04-07

Knar

uit zijn - gaan idem als uitde/zijn bol gaan. Vnl. jeugdtaal. Knar is een slangwoord uit het begin van deze eeuw (o.a. terug te vinden bij Israël Querido en Koster Henke), voor ‘hoofd, kop’ (Schiet hem voor zijn knar). Het wordt ook metonymisch gebruikt voor ‘man’. Onze manager ging uit z’n knar. (Oor, 17/05/86)

2020-04-07

knar

knar - Zelfstandignaamwoord 1. van een persoon dat deze oud en taai is Voor de realitysoap Krasse knarren stopt omroep MAX vijf bekende ouderen in een huis, dat geheel in seventiesstijl is ingericht. Dit met het idee dat ze daar hun jonge zelf hervinden. De vormgeving is een feest voor designfans, de parade van oude bekenden een feest voor de liefhebbers van alles dat was. A Thief's End steekt evenwel nog alt...

2020-04-07

Knar

KNAR, m. (-ren), gierigaard ’t is zoo’n oude knar; een zeer oud mensch die nog taai is; oude boomtronk; kluif waar niet veel aan is; taai boek dat iem. moet doorwerken.

2020-04-07

knar

hoofd. Hij heeft een harde knar. Ik kreeg onverwachts een mep tegen me knar.

2020-04-07

knar

knar - v., (argot) hoofd.