Wat is de betekenis van Knappen?

2024-05-30
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2024)

2024-05-30
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

knappen

1) (17e eeuw) (Barg.) stelen. • Knappen, (barg.), stelen. (Taco H. de Beer & Eliza Laurillard: Woordenschat, verklaring van woorden en uitdrukkingen. 1899) • (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937) • (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020) 2) (18e eeuw) (inf. ver...

2024-05-30
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

knappen

knappen - Werkwoord 1. ergatief hoorbaar zijdelings bezwijken De stok was klem komen zitten en in tweeën geknapt. knappen - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord knap

2024-05-30
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

knappen

knappen - regelmatig werkwoord uitspraak: knap-pen 1. in scherven of stukken vallen ♢ door de hoge temperatuur knapte het glas 2. het geluid maken van iets waar een barst in springt ♢ we zaten b...

2024-05-30
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Knappen

v., knappe, knippe; -d, knapperich; (v. gewrichten), knechtsje.

2024-05-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Knappen

(knapte, heeft en is geknapt), I. onoverg., 1. het geluid „knap” maken of doen horen; korte, niet zeer luide plofjes doen horen : het vuur knapt aan de haard; een knappend geluid; — (Zuidn.) de kaken met zulk een geluid op elkaar sluiten en vand.: happen; 2. met het geluid „knap” breken, bersten, splijte...

2024-05-30
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

knappen

knapte, h. geknapt (een knap laten horen; met een knap bersten; Z.-N. vlas met de knap IV breken; Z.-N. eten): dat lampeglas zal knappen; een knappend vuurtje; het touw knapte, brak plotseling; zegsw. een flesje knappen, drinken. Zie ook uiltje.

2024-05-30
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

knappen

('knappən) (knapte, heeft en is geknapt) 1. een brekend geluid geven, kraken : het vuur knapt aan de haard; de hond deed de beenderen -. 2. barsten, springen : dat glas zal -. 3. met een knap breken : het touw knapte. 4. (met een knap) eten : een beschuitje zitten te -. 5. met een knap doden, dooddrukken : een luis -; een flesje -, drinken;...

Wil je toegang tot alle 12 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-05-30
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

knappen

(knapte, heeft en is geknapt), I. (ono verg.) 1. geluid ‘knap’ maken of laten horen; korte, niet zeer luide plofjes doen horen: een knappend ge luid; 2. met het geluid ‘knap’ breken, bersten, splij ten, springen: de draad, het touw is geknapt; II. (overg.) 1. vlug, handig grijpen, pakken, snappen, vangen; (zegsw.) een...