Knappen
(knapte, heeft en is geknapt), I. onoverg., 1. het geluid „knap” maken of doen horen; korte, niet zeer luide plofjes doen horen : het vuur knapt aan de haard; een knappend geluid; — (Zuidn.) de kaken met zulk een geluid op elkaar sluiten en vand.: happen; 2. met het geluid „knap” breken, bersten, splijte...