2019-12-14

Knaap

Knaap - klampje om iets voorlopig vast te spijkeren.

2019-12-14

knaap

knaap - Zelfstandignaamwoord 1. jongen, jongeman Die knapen gedroegen zich weer eens als belhamels. 2. iets dat groot in zijn soort is, een kanjer Hij had een knaap van een snoek aan de haak.

2019-12-14

Knaap

KNAAP, m. (knapen), jongen, gewoonlijk tot aan den jongelingsleeftijd knapen en meisjes, ook van jongelieden en mannen dat is een brave knaap, kerel; een lustige knaap, een schalk; (oudt.) schildknaap, wapendrager; (Zuidn.) jong ambachtsman, boodschapper; (Ind.) klein (driepootig) tafeltje; (Z. A.) lezenaar van den voorlezer in eene kerk, kleerenstander: met een diepen zucht hing Keesje den rok over den knaap; eene soort van hefboom, om de wagens op te lichten, ten einde de assen met wagens...

2019-12-14

knaap

knaap - zelfstandig naamwoord 1. kind van mannelijk geslacht ♢ deze knaap is al 12 jaar 2. iets wat heel groot is ♢ Duncan ving een knaap van een vis Zelfstandig naamwoord: knaap de knaap de knapen het knaapje Synoniemen boy, jongen, kanjer,...

2019-12-14

Knaap

Knaap (Jan), ook bekend onder den naam van Johannes Servilius, heeft eenige belangrijke geschriften nagelaten. Hij werd volgens sommigen geboren te Weert in de provincie Luik, volgens anderen te Gelder en leefde in de eerste helft der 16de eeuw. Hij schreef: „Explanationes in Bucolica Cornelii Graphaei (1536)”, — „De mirandis antiquorum operibus, opibus et veteris aevi rebus, pace belloque magnifice gestis etc. (1541 en later)”, — de zeer merkwaardige „Geldro-Gallica conjuratio in...