Wat is de betekenis van kluiven?

2020
2021-03-01
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

kluiven

Het begrip kluiven heeft 3 verschillende betekenissen: 1) vlees afbijten. met de tanden en lippen vlees dat aan been vastzit bij kleine beetjes ervan afhalen. 2) sabbelen. bijtend sabbelen op iets. 3) werk hebben aan iets.

Lees verder
2020
2021-03-01
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

kluiven

1) (17e eeuw) (znw.) (inf.) handen. In die betekenis reeds terug te vinden in de klucht van P. Bernagie, 'De ontrouwe kantoorknecht' (1685): “je zult heel fijn moeten spinnen, eer jij uit onze kluiven raakt”. Nog in de uitdrukking 'in iemands kluiven komen, geraken' (in iemands macht zijn) en 'Iemand onder of in zijn kluiven krijgen, he...

Lees verder
2019
2021-03-01
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kluiven

kluiven - Werkwoord 1. (inerg) een bot in handen houden en er vlees van afhappen Toen het eten op tafel stond, begon hij meteen aan het bot te kluiven. kluiven - Zelfstandignaamwoord 1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kluif

Lees verder
2004
2021-03-01
Woordenboek van Eufemismen

Marc De Coster

kluiven

Hedendaags eufemisme vooral gangbaar onder jongeren voor het beoefenen van fellatio*'. Zie ook: Franse* massage. ‘Ik zie het al, die gaat all the way. Die gaat kluiven.’ En ja hoor, twee minuten later is de onbekende vrouw poedelnaakt bezig Batman te pijpen. HP/De Tijd, 04-06-99

Lees verder
1973
2021-03-01
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

kluiven

(kloof, heeft gekloven), (onoverg.) met tanden en lippen de eetbare delen afhalen van iets dat met de handen (resp. poten) wordt vastgehouden: aan een been —; (fig.) werk, moeite hebben (aan): daar is heel wat aan te —; (oneig.) sabbelen, zuigen: op een potlood —.

1950
2021-03-01
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Kluiven

(kloof, heeft gekloven), met tanden en lippen de eetbare delen afhalen van iets dat men met handen (of poten) vasthoudt: aan een been kluiven; — (fig.) werk, moeite hebben (aan): daar is heel wat aan te kluiven ; — (oneig.) sabbelen, zuigen: Candida kluift op een rosé steentje.

1898
2021-03-01
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kluiven

KLUIVEN, (kloof, heeft, gekloven), afknagen aan een been kluiven; — (fig.) hard of moeilijk werk verrichten daar is heel wat aan te kluiven; hij zat den geheelen avond te kluiven, over hetzelfde onderwerp te praten, te zeuren, te zemelen. KLUIVING, v. (-en), het kluiven.

Lees verder