Kloppen
(klopte, heeft geklopt), I. onoverg., 1. een (niet te harde) slag of, gewoonlijk, een reeks van onmiddellijk op elkaar volgende, bep. hoorbare, resonnerende slagen geven (op of tegen iets): de loodgieter klopt op het lood om het effen te maken; met een hamer kloppen; vand. kloppen abs. voor timmeren ; — (overdr.) een kloppen...