Kloek
bn. bw. (-er, -st), 1. (van mensen en dieren, hun gestalte of lichaamsdelen) groot en daarbij welgebouwd, tevens met gedachte aan kracht, fiks: de bewoners dezer eilanden zijn kloeke kerels ; een kloek paard ; kloeke schouders, kloeke benen — een kloek kind, stevig, flink voor zijn leeftijd; 2. (van zaken) groot,...