Wat is de betekenis van kloek?

Synoniemen van kloek

2020
2020-11-29
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

kloek

Het begrip kloek heeft 3 verschillende betekenissen: 1) hen die kuikens heeft. hen die kuikens heeft of broeds is, bijvoorbeeld een kip, fazant, pauw of parelhoen; broedse hen; klokhen. Wordt waarschijnlijk zo genoemd omdat dergelijke hennen een geluid maken dat klinkt als kloek of klok. 2) flink gebouwd. groot en stevig in li...

Lees verder
2020
2020-11-29
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

kloek

(1938) (Amsterdam, veemarb.) gewicht van 50 kilo. Zie ook: kloek met kuikens. • Onder het wegen worden dus voortdurend nummers opgeroepen; bij dat oproepen zijn een zeer groot aantal speciale telwoorden in gebruik, die waarschijnlijk wel het meest interessantste deel van het veem-jargon vormen. Van deze telwoorden verderop nog een aantal voorb...

Lees verder
2019
2020-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kloek

kloek - Zelfstandignaamwoord 1. hoenderachtig (en dan vooral kip) die kuikens heeft Bij hoenders met pluimen op de poten gaan we deze afknippen om te voorkomen dat bij het verlaten van het nest de kloek de eieren stuk maakt. kloek - Bijvoeglijk naamwoord 1. als iets grote is...

Lees verder
2018
2020-11-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kloek

kloek - zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord 1. kip met kuiken ♢ de kloek had alle kuikens om zich heen 1. nogal groot ♢ het woordenboek bestaat uit drie kloeke delen 2....

Lees verder
1969
2020-11-29
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Kloek

Kloek - zie Cloek.

1898
2020-11-29
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Kloek

zie Dapper.

1898
2020-11-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kloek

Het begrip kloek heeft 2 verschillende betekenissen: 1. kloek - KLOEK v. (-en), klokhen: eene kloek met twaalf kuikens. 2. kloek - KLOEK bn. bw. (-er, -st), fiksch, sterk, gezond, welgebouwd: de bewoners dezer eilanden zijn kloeke kerels; een kloek krijgsman, gespierd, (ook) onvervaard; een kloek kind, gezond, blozend, groot voor zijn leeftijd; f...

Lees verder