Wat is de betekenis van kleinzielig?

2019
2022-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kleinzielig

kleinzielig - Bijvoeglijk naamwoord 1. bekrompen in uitingen en opvattingen of daarvan getuigend Ik vind je maar een kleinzielig ventje... Woordherkomst Samenstellende afleiding van klein en ziel met het achtervoegsel -ig

Lees verder
2018
2022-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kleinzielig

kleinzielig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: klein-zie-lig 1. met weinig ruimte voor mensen die anders denken ♢ zij reageert altijd zo kleinzielig Bijvoeglijk naamwoord: klein-zie-lig ... is kleinzieliger dan ......

Lees verder
1980
2022-09-26
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

kleinzielig

zie buitenissig

1973
2022-09-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kleinzielig

bn. en bw. (-er, -st), klein, benepen, bekrompen in opvattingen en uitingen, kleingeestig; getuigend daarvan.

1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kleinzielig

adj., klienhertich, lyts.

1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kleinzielig

bn. bw. (-er, -st), klein, benepen, bekrompen in opvattingen en uitingen, kleingeestig; getuigend daarvan.

1948
2022-09-26
Spaans woordenboek (SP-NL) 1948

Dr. C.F.A. van Dam

Kleinzielig

mens, lafaard, apresador, ra, adj. kapend; bugue ~, m.

1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kleinzielig

bn., bw. ([in hoge mate] kleingeestig); een kleinzielig man, een kleinzielige staatkunde; kleinzielig te werk gaan.

1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

kleinzielig

(klein'zi:ləch) bn. en bw. (-er, -st) 1. zeer kleinhartig ; een man. 2. zeer kleingeestig : een -e politiek.

Lees verder
1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kleinzielig

KLEINZIELIG, bn. bw. (-er, -st), in hooge mate kleingeestig. KLEINZIELIGHEID, v.