Wat is de betekenis van Kleingoed?

2026-01-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Kleingoed

o., 1. gebak bestaande uit verschillende kleine koekjes 2. collect. ben. voor kleine exemplaren van enige soort van zaken, b.v. kleine diamanten, klein aardewerk, kleine visjes; — (fig.) de kinderen: het kleingoed moet vroeg naar bed.

Wil je de volledige toegang tot alle 20 resultaten?

Word vriend

Of oriënteer eerst en blader door onze categorieën


Studenten en medewerkers van onderstaande onderwijsinstellingen hebben gratis toegang

Universiteit Leiden University of Amsterdam Universiteit Utrecht
2026-01-23
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

kleingoed

kleinspan.