Wat is de betekenis van kleed?

2020
2023-01-30
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

kleed

Het begrip kleed heeft 6 verschillende betekenissen: 1) afgewerkt stuk weefsel. afgepast en afgewerkt stuk weefsel van stevige stof gemaakt om iets mee te bedekken, meestal de vloer, of om ergens overheen te leggen, meestal over een meubelstuk, bijvoorbeeld een tafel. 2) jurk. kledingstuk voor vrouwen, dat bestaat uit een bovenlijf e...

Lees verder
2019
2023-01-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kleed

kleed - Zelfstandignaamwoord 1. een stuk weefsel 1. gebruikt als vloer- of tafelbedekking, karpet, tapijt 2. : er lag een prachtig geborduurd kleed op tafel 3. gebruikt als lichaamsbedekking, meestal meervoud, gewaad, kleding ...

Lees verder
2018
2023-01-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kleed

kleed - zelfstandig naamwoord 1. lap waarmee je iets bedekt ♢ op de tafel lag een geblokt kleed Zelfstandig naamwoord: kleed het kleed de kleden het kleedje

Lees verder
2015
2023-01-30
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

kleed

jurk Met het schilderij The Angel - een lange figuur met een stralend roze kleed en een zwart gelaat - maakte Michaël Borremans de blikvanger van het jaar. (De Standaard) Belgisch-Nederlandse Standaardtaal Gangbaarheid: 6 Vlaamsheid: 1

Lees verder
2004
2023-01-30
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

kleed

(het, kleden) jurk, japon [in België zelden voortapijt] - iets in een nieuw kleedje steken, er een nieuw uiterlijk aan geven, iets vernieuwen. Straks wordt dat liedje echter in een nieuw kleedje op de mensheid losgelaten: voor de single-versie deed Sergio een beroep op het Scala-koor, dat eerder onder meer Hooverphonic bijstond. - GvA...

Lees verder
1990
2023-01-30
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

kleed

kleed - Zwaar geweven textiel voor allerlei gebruiksdoeleinden, grotendeels nog in de vorm waarin ze het weefgetouw hebben verlaten. In westerse gemeenschappen worden ze meestal als vloerbedekking gebruikt.

1973
2023-01-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kleed

o. (kleden), 1. afgepast en afgewerkt stuk weefsel, dat in het algemeen dient om iets mee te bedekken, te omhangen of te omhullen: het toestel was met een af gedekt tegen het stof; een kist met een zwart — erover; dekkleed voor een schuit of wagen; 2. m.n. zo’n weefsel om een meubel mee te beleggen: een tafel met een wollen — e...

Lees verder
1971
2023-01-30
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Kleed

Kleed - 1. Baan van een zeil. 2. Baan van een vlag.

1963
2023-01-30
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

kleed

(het, kleden), (ook, verouderend:) jurk. Dus [bij haar belijdenis] had ze wit kleed om d’rlichaam (Cairo 1978b: 272). -Etym.: In AN veroud. (daar meestal ‘kleedje’); voorkomend in BN, ook in Zeeuws alsmede enige andere dial. Vgl. D Kleid = id.

Lees verder
1952
2023-01-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kleed

s.n., kleed (it).

1950
2023-01-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kleed

o. (kleden), 1. afgepast en afgewerkt stuk weefsel, in ’t alg. dienende om iets mee te bedekken, te omhangen of te omhullen : het toestel was met een kleed afgedekt tegen het stof; een kist met een zwart kleed er over; — dekkleed voor een schuit of wagen; 2. (in ’t bijz.) zulk een weefsel om een meubel mee te beleggen : ...

Lees verder
1937
2023-01-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kleed

o. kleden (1, 2, 1-6), kleren, klederen (2, 7-9) met twee hoofdbet. I. (een stuk, lap, reep, strook geweven stof; baan): ieder zeil werd op dek gelegd en ieder kleed van het zeil nagezien; II. (een afgewerkt, afgepast voorwerp van een geweven stof met een bijzondere bestemming: 1 zeewezen: omhulsel; overtrek; 2 baarkleed; 3 dekkleed over een schu...

Lees verder
1930
2023-01-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

kleed

(kle:t) o. I. (klederen, kleren ; -je) Eig. 1. (meestal mv.) Algm. een of meer stukken stof die de mens tot lichaamsdekking dienen ; de kleur, stof, snit van een -; dat vast, zit goed; een passen; een pak kleren; kleren naar maat; gemaakte kleren; zijn kleren aan-, uitdoen; afgelegd, versleten -. Gez. dat raakt zijn koude kleren niet of dat glij...

Lees verder
1926
2023-01-30
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Kleed

Over het kleedingvraagstuk wordt verschillend gedacht. Eeuwenlang gaf de oppermachtige mode hier den toon aan. Hoe misvormd en wanstaltig, hoe onpractisch en ongezond de kleeding ook zijn mocht, haar wil was wet en haar voorschrift werd schier overal gevolgd. Gelukkig kwam hierin echter een keer ten goede. De doctoren eischten in naam der gezondhe...

Lees verder
1898
2023-01-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kleed

KLEED, o. (-eren, kleeren), wat den menschtot kleeding dient (meestal in *t meerv.; het enk. kleed inz. van vrouwen): een kleed passen; dat kleed zit of staat goed; een pak kleeren; zijne kleeren aanuitdoen; afgelegde kleeren; — (spr.) iem. in de kleeren steken, iem. van de noodige kleedingstukken voorzien, (fig.) hem bedriegen, bedotten; &m...

Lees verder
1864
2023-01-30
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Kleed

Kleed, o. (...eren, kleêren), gewaad, rok, japon, jurk, omhulsel; een - passen; dat - zit of staat goed; (spr.) de kleêren maken den man, op het uiterlijke gaat men af; iem. in de kleêren steken, iem. van de noodige kleedingstukken voorzien. *-, (mv. kleeden), overtreksel, dekking; vloer-, tafelkleed. *-EN, bw. ow. gel. (ik kleedd...

Lees verder
1856
2023-01-30
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Kleed

z.n.o. - Baan zeildoek.

1573
2023-01-30
Etymologicum 1573

Kiliaans Etymologicum Teutonicae Linguae

Kleed

Vestis, vestimentum, indumentum, velamen, amictus.

Lees verder