Klak
I.m. (-ken), (Zuidn.) 1. klakkend, klappend, kletsend geluid: het gaf een harde klak; 2. slag, klap, mep : hij kreeg een klak in zijn gezicht. II. v. (-ken), 1. (gew.) klodder, kwak: een klak modder; 2. vlek, inktmop ; 3. (Zuidn.) overschot, kliekje: een klak bier; — (Zuidn.) klikken (of klieken...