Wat is de betekenis van klaar?

2020
2021-03-02
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Klaar

Waarschijnlijk een mannelijke vorm van Clara.

2018
2021-03-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

klaar

klaar - bijvoeglijk naamwoord 1. er hoeft niets meer aan gedaan te worden ♢ al het werk is klaar 1. al is het nog zo kant en klaar, het hapert toch wel hier en daar (TB) [er mankeert altijd wel iets aan]...

Lees verder
2008
2021-03-02
Atletiek- en turnwoordenboek

Atletiek- en turnwoordenboek door Jan Luitzen

klaar

→ startcommando

1998
2021-03-02
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Klaar

1. daar ben ik mooi - mee: daar zit ik dan mee opgescheept. Clichégezegde. 2. - naar huis, onder havenarbeiders een slanguitdr. voor ‘vroeger naar huis’ (door het opjagen van het arbeidstempo). Specifiek Rotterdams. Als we voortmaken dan is ’t klaar naar huis jongens, zei de mee naar beneden gekomen dokwerker. (Ben Borgart: De slakken van Canêt d’...

Lees verder
1973
2021-03-02
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

klaar

bn. en bw. (-der, -st), 1. helder, lichtend, stralen: zo — als de zon; niet mat of dof: klare ogen; het klare blauw van de hemel; 2. licht, niet (meer) donker; niet verduisterd: op de klare dag; weer, niet nevelig; een klare lucht, onbewolkt; bep. van gesteldheid: zijn beeld staat mij nog voor ogen; (gew.) ik begin er in te zien, er gaat me...

Lees verder
1964
2021-03-02
voornamen

Voornamenboek

Klaar

m Waarschijnlijk een m. vorm van Clara. Aangetroffen in Scheveningen (vader en zoon). Vgl. Ned. L. 1962, 338.

Lees verder
1950
2021-03-02
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Klaar

I. bn. bw. (-der, -st), 1. helder, lichtend, stralend: zo klaar als de zon; (bw.) klaar blinken; — niet mat of dof: klare ogen; het klare blauw van de hemel; 2. licht, niet (meer) donker; niet verduisterd: de klare zonneschijn; op de klare dag; het is klaar dag; klaar weer, niet nevelig; een klare lucht, onb...

Lees verder
1898
2021-03-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Klaar

KLAAR, bn. bw. (-der, -st), helder, licht, doorzichtig, doorschijnend klaar als kristal; eene klare bron; een klare hemel, onbewrolkt; — een glas klaar water, niet troebel; — zijn beeld staat mij nog klaar voor oogen, nog helder; — (w. g.) klaar neteldoek, dun; — zuiver, onvermengd het is klaar vet; in de klare boter geba...

Lees verder
1898
2021-03-02
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Klaar

zie Begrijpelijk, zie Helder.