Wat is de betekenis van kijker?

2024-02-27
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

kijker

Het begrip kijker heeft 3 verschillende betekenissen: 1) iemand die kijkt. iemand die kijkt of die iets bekijkt. 2) oog. orgaan waarmee men kijkt; oog. Meestal in het meervoud. 3) optisch instrument. optisch instrument waarmee men iets vanop een afstand beter kan bekijken, bv. een verrekijker, toneelkijker of telescoop...

2024-02-27
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

kijker

kijker - Zelfstandignaamwoord 1. iemand die naar iets kijken|kijkt De brand trok vele kijkers. 2. (optica), (astronomie) een optisch instrument waarmee men ver verwijderde taferelen vergroot en/of helderder kan zien; in de astronomie ook toegepast voor het waarnemen van straling in het onz...

2024-02-27
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

kijker

kijker - zelfstandig naamwoord uitspraak: kij-ker 1. wie naar iets kijkt of het ziet gebeuren ♢ de interviewer begroet de kijkers 2. apparaat waardoor je dingen in de verte goed kunt zien ♢ hij...

2024-02-27
Communicatie

Mr. John Knecht en B.G.J. Stoelinga

Kijker

Kijker is een persoon die met een televisie-uitzending of met een gedeel¬te daarvan wordt geconfronteerd. NB: Bij bioscoop spreekt men van een bezoeker, bij buitenprojec¬ten en vervoermiddelen van passant.

Wil je toegang tot alle 18 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-27
Media begrippenlijst

mr. J. Knecht (1991)

Kijker

kijker is de benaming voor een persoon die met een televisie-uitzending of een gedeelte daarvan wordt geconfronteerd. NB: Bij bioscoop spreekt men van een bezoeker, bij buitenobjecten en vervoermiddelen van een passant.

2024-02-27
Watersport A-Z

Kramer en de Bruin (1971)

Kijker

Kijker - ook verrekijker, instrument voor het waarnemen en vergroten van zich op afstand bevindende voorwerpen. Voor de watersport is de prismakijker 7 x 50 het meest praktisch. Deze kijker vergroot 7 maal bij een objectiefdoorsnede van 50 mm. Dit type is zeer lichtsterk en ook in de schemering goed te gebruiken. Er zijn wei kijkers die sterker ver...

2024-02-27
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Kijker

s.; (persoon), kiker, bisjogger; meer -s dan kopers, mear kikers as keapers; (instrument, oog), kiker; in delopen, yn ’e kikert rinne.

2024-02-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Kijker

m. (-s), 1. die kijkt of bekijkt, aanschouwer: veel kijkers en geen kapers; — toeschouwer; 2. (mv.) de ogen met betr. tot de expressie, vaak van kinderen gezegd: zij zag mij met haar blauwe kijkers aan; heldere, brutale, geestige kijkers ; — in jagerst. bep. ogen van een haas ; — 3. in zegsw'. waarbij oorspr. a...

2024-02-27
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Kijker

verrekijker, instrument om van verafgelegen voorwerpen een duidelijk beeld te vormen. Er zijn verschillende types ontwikkeld: astronomische kijker, bestaande uit een convergerend (positief) objectief en een convergerend oculair. Het voorwerp wordt hierbij omgekeerd afgebeeld, wat voor sterrenkundige waarnemingen geen enkel bezwaar oplevert. Bij de...

2024-02-27
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

kijker

m. -s (1 iem., die [naar iets) kijkt; toeschouwer; in samenst.: iem., die zijn beroep maakt van kijken; 2 in het mv. ogen; 3 optisch instrument, verrekijker; 4 Z.-N. duiventil): 1. meer kijkers dan kopers; sterrenkijker; 2. heldere, blauwe kijkers; jagerstaal: ogen van hazen en konijnen; 3. met een kijker gewapend; zegsw. iem. of iets in de kijker...

2024-02-27
Encyclopedie voor Iedereen

John Kooy (1933)

Kijker

optisch instrument, waardoor met behulp v/e stel lenzen een vergroot beeld wordt verkregen v. verwijderde voorwerpen. Onderscheiden worden: astronomische k,, gebruikt i/d sterrenkunde (tot 3000 x vergrootend) (Keppler, 161 i); Hollandsche k., waartoe o.a. de tooneel-k., zee-k., behooren (Galilei, 1608); prisma-k., die tot 18 x vergroot, algemeen i/...

2024-02-27
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Kijker

Of verrekijker, een instrument, dat dient om den gezichtshoek, welke voor verafgelegen voorwerpen klein is, te vergrooten en dus een nadering van het voorwerp te vervangen (de kijker „haalt dichtbij”). Meestal wordt het beeld door den k. ook weer op grooten afstand gevormd, zoodat de ongeveer evenwijdig invallende bundels weer evenwijdi...

2024-02-27
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

kijker

('kijkər) m. (-s; -tje) I. Eig. hij die kijkt: veel s en weinig of geen kopers. II. Metn. 1. [orgaan waarmede men kijkt] oog : blauwe, bruine, zwarte -s; brutale. geestige, heldere -; de ondeugd zag hem uit de -s. 2. [iets waarin of waardoor men kijkt] instrument bestaande uit een buis met lenzen, waardoor verwijderde onderwerpen als dich...

2024-02-27
Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren

P.J.F.H. van de Rivière, R. de Ruyter-van der Feer (1928, 1930 en 1938)

Kijker

een optisch instrument, waardoor met behulp van een stel lenzen een vergroot beeld wordt verkregen van verwijderde voorwerpen. Onderscheiden worden: astronomische kijker, gebruikt in de sterrenkunde (tot 3000 X vergrotend) (Keppler, 1611); Hollandse kijker, waartoe o.a. de toneelkijker, zee-kijker behoren (Galileï, 1608); prisma-kijker, die to...

2024-02-27
Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Kijker

Kijker, - optisch instrument, met behulp waarvan een beeld wordt verkregen van voorwerpen, die op een afstand, groot t. o. v. den afstand van duidelijk zien van ons zijn verwijderd. Het voordeel van den k. is daarin gelegen, dat dit beeld onder een grooteren gezichtshoek kan worden waargenomen dan dien, waaronder het voorwerp met het bloote oog wor...

2024-02-27
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

kijker

m. (-s), 1. iemand die kijkt of bekijkt, aanschouwer: veel kijkers en geen kopers; toeschouwer, televisiekijker: er zijn nu vrijwel evenveel kijkers als luisteraars; 2. (mv.), de ogen met betrekking tot de expressie, vaak van kinderen gezegd: zij zag mij met haar blauwe kijkers aan; heldere, brutale, geestige kijkers; in jagerstaal ogen van een haa...

2024-02-27
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Kijker

KIJKER, m. (-s), die kijkt, aanschouwer veel kijkers en geen koopers; — waardoor men kijkt, oog (inz. van kinderen): zij zag mij met hare blauwe kijkers aan; — (Zuidn.) plaats vanwaar men kijkt.: altijd op zijnen kijker zitten, altijd zitten te loeren; (ook) duiventil: den kijker openzetten — zeker optisch instrument, om verwijd...

2024-02-27
Winkler Prins

Anthony Winkler Prins (1870)

Kijker

zie Verrekijker.