Wat is de betekenis van keurig?

2019
2023-01-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

keurig

keurig - Bijvoeglijk naamwoord 1. erg netjes en beleefd De keurige jongen was niet op een scheldwoord te betrappen. Woordherkomst afgeleid van keur met het achtervoegsel -ig Antoniemen brutaal, lomp, onbeschoft, ongemanierd

Lees verder
2018
2023-01-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

keurig

keurig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: keu-rig 1. met goede manieren, zoals het hoort ♢ de kinderen hebben zich keurig gedragen 2. zeer goed ♢ dat heb je keurig gedaan hoor! ...

Lees verder
1952
2023-01-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Keurig

adj. & adv., kein(tsjes), kreas, keken, knap, eptich.

1950
2023-01-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Keurig

bn. bw. (-er, -st), 1. keur uitoefenend, niet het eerste het beste nemend of daarmee tevreden, steeds het beste zoekend: een keurig schrijver; een keurig liefhebber; (overdr.) een keurige smaak; zijn keurig penseel; — keurig op iets zijn, nauwnemend, kieskeurig; 2. zorg bestedend aan uiterlijke netheid en aan goed...

Lees verder
1937
2023-01-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

keurig

I. bn. (1 niet aanstonds voldaan; kieskeurig. vies; 2 overdrachtelijk: blijk gevende van fijn gevoel; 3 blijk dragende van een beraden, zorgvuldig, door smaak en tact geleid kiezen: uitgezocht; smaakvol; net, puntig, proper, verzorgd): 1. in het oog van een keurigen rechter genade vinden; een keurig kenner, uitnemend, fijn; v. lichaamsdelen: een ke...

Lees verder
1930
2023-01-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

keurig

('keurəch) bn. en bw. (-er, -st) 1. uitgelezen, fijn, schoon : gekleed; —e muziek; netjes. 2. moeilijk te bevredigen : hij valt nogal -.

Lees verder
1898
2023-01-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Keurig

KEURIG, bn. bw. (-er, -st), uitgelezen, fijn, schoon eene keurige spijs; een keurig hoedje; zij is altijd keurig gekleed; dat is keurig geschreven; — kiesch, moeilijk te bevredigen hij valt nogal keurig; hij is erg keurig op zijn eten. KEURIGHEID, v. uitmuntendheid, fraaiheid; (ook) zeer ver gedreven voorzichtigheid, alvorens iets schoon te v...

Lees verder
1898
2023-01-29
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Keurig

zie Aangenaam.