Wat is de betekenis van keurig?

2025-12-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Keurig

bn. bw. (-er, -st), 1. keur uitoefenend, niet het eerste het beste nemend of daarmee tevreden, steeds het beste zoekend: een keurig schrijver; een keurig liefhebber; (overdr.) een keurige smaak; zijn keurig penseel; — keurig op iets zijn, nauwnemend, kieskeurig; 2. zorg bestedend aan uiterlijke netheid en aan goed...

2025-12-09
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

keurig

keurig - Bijvoeglijk naamwoord 1. erg netjes en beleefd De keurige jongen was niet op een scheldwoord te betrappen. Woordherkomst afgeleid van keur met het achtervoegsel -ig Antoniemen brutaal, lomp, onbeschoft, ongemanierd

2025-12-09
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

keurig

keurig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: keu-rig 1. met goede manieren, zoals het hoort ♢ de kinderen hebben zich keurig gedragen 2. zeer goed ♢ dat heb je keurig gedaan hoor! ...

2025-12-09
Zuid-afrikaans woordenboek

H.J. Terblanche - M.A., D. Litt

keurig

uitgesoek; pragtig, fyntjies; net; kieskeurig.

2025-12-09
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Keurig

adj. & adv., kein(tsjes), kreas, keken, knap, eptich.

2025-12-09
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

keurig

I. bn. (1 niet aanstonds voldaan; kieskeurig. vies; 2 overdrachtelijk: blijk gevende van fijn gevoel; 3 blijk dragende van een beraden, zorgvuldig, door smaak en tact geleid kiezen: uitgezocht; smaakvol; net, puntig, proper, verzorgd): 1. in het oog van een keurigen rechter genade vinden; een keurig kenner, uitnemend, fijn; v. lichaamsdelen: een ke...

2025-12-09
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

keurig

('keurəch) bn. en bw. (-er, -st) 1. uitgelezen, fijn, schoon : gekleed; —e muziek; netjes. 2. moeilijk te bevredigen : hij valt nogal -.

2025-12-09
Etymologisch Woordenboek

Instituut voor de Nederlandse taal

keurig

keurig bn. 'mooi, goed verzorgd' categorie: geleed woord Vnnl. keurig 'kieskeurig' in de meysjes benne nou soo keurigh 'de meisjes zijn tegenwoordig zo kieskeurig' [1618; WNT], overdrachtelijk ook van zaken 'van bijzondere uitnemendheid' in keurige eerbiedenis bewezen hebbende [1626; WNT], de keurige balans v...

2025-12-09
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Keurig

KEURIG, bn. bw. (-er, -st), uitgelezen, fijn, schoon eene keurige spijs; een keurig hoedje; zij is altijd keurig gekleed; dat is keurig geschreven; — kiesch, moeilijk te bevredigen hij valt nogal keurig; hij is erg keurig op zijn eten. KEURIGHEID, v. uitmuntendheid, fraaiheid; (ook) zeer ver gedreven voorzichtigheid, alvorens iets schoon te v...

2025-12-09
Handwoordenboek van Nederlandsche synoniemen

J.V. Hendriks (1898)

Keurig

zie Aangenaam.

Wil je toegang tot alle 15 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2025-12-09
Prisma Nederlands Fries

Unieboek | Het Spectrum (2025)