Wat is de betekenis van katijvig?

2020
2021-02-28
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

katijvig

(17e eeuw) (Barg.) ellendig, ongelukkig, beroerd, armzalig. 'Wat een katijvig leven.' • Dit [is] mijn troost in mijn katijvig leven: dijn woord heeft mij we'er levendig gemaakt. (De Psalmen des Propheeten Davids, in't Hebreeuz genaamd het lof-bouk: bij den propheet verdeeld in vijf bouken. 1624) • O katijvig mensch! van elk verfoeyt,...

Lees verder
1950
2021-02-28
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Katijvig

bn. bw. (-er, -st), (veroud., gew., meest Zuidn.) 1. rampspoedig, vol tegenspoed, ellendig, ongelukkig, armzalig; 2. kouwelijk; 3. ziekelijk, zwak.

Lees verder
1937
2021-02-28
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Katijvig

Ziekelijk, sukkelend, krukkerig. (Fr.: chétif). Nietig. Ons katijvig bestaan. Ons katijvig leven. Van gewassen : schraal, armoedig.Van het weer: guur. In Gelderland spreekt men van een katijvige (katlijvige) koe bij verzakking van de scheede. Katlijvigheid is een koopvernietigend gebrek, Omdat men het alleen waarneemt, wanneer het dier ligt...

Lees verder
1914
2021-02-28
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

katijvig

katijvig - (argot) ellendig, ongelukkig.

1898
2021-02-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Katijvig

bn. bw. (-er, -st), rampspoedig, vol tegenspoed, ellendig, ongelukkig; (gew.) kouwelijk. KATIJVIGIIEID, v. tegenspoed, geringheid; nietigheid; (gew.) kouwelijkheid.

Gerelateerde zoekopdrachten