Wat is de betekenis van kar?

2020
2022-05-17
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

kar

Het begrip kar heeft 8 verschillende betekenissen: 1) voortgetrokken voertuig met meestal twee wielen. door een lastdier of motorvoertuig voortgetrokken, zwaar voertuig met in de regel twee grote of stevige wielen, dat vooral dient voor vrachttransport en soms is ingericht voor personenvervoer. 2) tweewielige hondenkar. klein, tweewi...

Lees verder
2020
2022-05-17
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

kar

1) (1940) (zeem.) motor. • Het schip houdt geen roer meer, de kar slaat woest door; als ze weer gemeerd liggen springt Coba naakt te water en duikt bij het achterschip, om te zien wat er aan de hand is. (Jan de Hartog: Hollands Glorie. 1940) • (Fré Harmsen: Van baroe tot branie: termen en zegswijzen bij de Koninklijke Marine. 1991...

Lees verder
2019
2022-05-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kar

kar - Zelfstandignaamwoord 1. voertuig (oorspronkelijk met twee wielen) 2. (informeel) auto Zo, dat is een mooi karretje dat je gekocht hebt. kar - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van karren ♢ Ik kar 2. gebiedende...

Lees verder
2018
2022-05-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kar

kar - zelfstandig naamwoord 1. voertuig dat geduwd of getrokken wordt ♢ hij heeft een kar achter zijn wagen 1. iemand voor je karretje spannen [hem klusjes voor je laten opknappen] ...

Lees verder
2017
2022-05-17
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Kar

Kar - motor. De kar sloeg tot tweemaal toe af.

2009
2022-05-17
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

kar

(de; -ren; karretje) inform, - fiets: iemands karretje in de poep rijden, de winstkansen van een tegenstander om zeep helpen, en soms daarbij ook de eigen kansen.

1990
2022-05-17
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

kar

kar - Te gebruiken voor tweewielige gebruiksvoertuigen die door dieren werden getrokken, in eerste instantie gebouwd als gebruiksvoertuigen, hoewel er varianten waren die waren ontworpen als sportvoertuigen of voor persoonlijk vervoer.

1973
2022-05-17
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kar

v./m. (-ren), 1. min of meer plomp voertuig op twee wielen: een — met een paard, een os, een buffel ervoor; een — met grind; een driewielige —, met één klein voorwiel; (zegsw.) aan de — stoten, duwen, iemand in zijn plannen helpen, hem steunen; tegen iemands — rijden, iemand voor het hoofd stoten, in zijn...

Lees verder
1955
2022-05-17
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Kar

karaat

1952
2022-05-17
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kar

s., karre; — van de melkboer, sûp-, brijkarre; met devervoeren, forkarkje.

1950
2022-05-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Kar

karaat.

1949
2022-05-17
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

kar

rijwiel.

1937
2022-05-17
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kar

afkorting voor karaat; zie ald.

1898
2022-05-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kar

v. (-ren), wagen, voertuig met twee wielen : eene kar met een hond er voor, hondekar; handkar; — aan de kar steken, stooten. duwen, iem. in zijn plannen helpen, hem steunen; — tegen iemands kar rijden, hem misnoegen; (spr.) (fig.) zijn karretje rijdt op een zandweg, het gaat hem naar den zin ; — (fig.) de kar omsmijten, eene mis...

Lees verder
1898
2022-05-17
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Kar

zie Wagen.