Wat is de betekenis van Kanunnik?

2019
2021-06-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kanunnik

kanunnik - Zelfstandignaamwoord 1. (religie) een titel die aan bepaalde geestelijken wordt verleend binnen enkele christelijke kerkgemeenschappen. Hij was kanunnik van het kathedrale kapittel. Verwante begrippen canonicaat, kanunnikaat, kanunniksdij

Lees verder
2018
2021-06-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kanunnik

kanunnik - zelfstandig naamwoord uitspraak: ka-nun-nik 1. geestelijke die werkzaam is bij een kathedraal ♢ er was een vergadering uitgeschreven voor de kanunniken Zelfstandig naamwoord: ka-nun-nik de kanunnik...

Lees verder
1994
2021-06-18
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Kanunnik

[zie canonicus] geestelijke die tot een kapittel behoort, koorheer; lid van kathedraalkapittel.

1993
2021-06-18
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Kanunnik

(kapittelheer) geestelijke van een kathedraal

1990
2021-06-18
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

kanunnik

kanunnik - Geestelijken van een grote kerk die als een gemeenschap onder bepaalde voorschriften samenleven. Wordt ook gebruikt voor middeleeuwse geestelijken die tot een kapittel of het personeel van een kathedraal of collegiale kerk behoren.

1973
2021-06-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kanunnik

[Lat. canonicus], m. (—en), (westerse kerk) sinds de vroege middeleeuwen een van de geestelijken die op de daarvoor opgestelde lijst (canon) van dienstdoende geestelijken van een kerk vermeld stonden; (later) leden van wereldlijke domstichten (wereldlijke kanunniken) en die van de ordesgenootschappen van koorheren in de kloosters (reguliere...

Lees verder
1955
2021-06-18
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Kanunnik

dom- of stiftsheer; geestelijke, die deel uitmaakt van het kapittel.

1950
2021-06-18
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Kanunnik

m. (-en), (R.-K.) koor-, dom- of kapittelheer, een wereldlijk geestelijke die deel uitmaakt van het kapittel van een kathedrale kerk; reguliere kanunniken, kloosterlijk samenlevende kanunniken, in tegenstelling met wie de andere dan seculiere kanunniken heten; — (gew.) welgedaan of kort en dik persoon.

1949
2021-06-18
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Kanunnik

(Lat. canonicus), oudtijds geestelijke die op de lijst (canon) van een kerk vermeld stond. Thans lid van een kapittel*.

1948
2021-06-18
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

kanunnik

m. koor-, dom- of stiftsheer, geestelijke die deel uitmaakt van het kapittel.

1937
2021-06-18
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Kanunnik

Oorspronkelijk was een kanunnik een der geestelijken, die volgens een canon (regel) leefden. Het hoofdstuk uit den Bijbel, waarin deze regel voorkwam, werd bij elke bijeenkomst voorgelezen. Later verstond men onder een kanunnik een geestelijke, verbonden aan een kerk van hoogen rang, een domkerk, of kapittelkerk en behalve kanunnik, werden deze gee...

Lees verder
1933
2021-06-18
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Kanunnik

(Lat.: canonicus), wereldlijk geestelijke, lid v/h kappittel v/e kathedraal.

1933
2021-06-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Kanunnik

1° een wereldgeestelijke, die deel uitmaakt van een kathedraal of collegiaal → kapittel en als zoodanig deel heeft in de rechten en plichten van het kapittel. Daarnaast hebben sommige k. een speciale taak, bijv. de k.-theologaal (de prediking van het woord Gods in de kathedrale kerk) en k.-penitencier (het biecht hooren in de kathedrale ke...

Lees verder
1928
2021-06-18
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Kanunnik

is de titel van een waardigheidsbekleder in de R.K. kerk. De benaming is afgeleid van het Latijnse canonicus; oudtijds was n.l. een kanunnik een geestelijke, wiens naam op de officiële lijst (of canon) ener kerk voorkwam. Tegenwoordig behoort een kanunnik, als hij verbonden is aan een kathedraal-kapittel, tot de raadslieden van den bisschop va...

Lees verder
1926
2021-06-18
Christelijke encyclopedie

Geschreven onder redactie van theoloog F.W. Grosheide, 1925-1931

Kanunnik

beteekent hetzelfde als canonicus, d.w. z. een geestelijke, die behoort tot een domkapittel (zie art.). Chrodegangus van Metz stelde voor de geestelijken een regel in (canon) naar welken de geestelijken van een bisschoppelijke kerk tot een gemeenschappelijk leven verplicht waren (vita canonica). Vandaar de naam canonicus of kanunnik.

Lees verder
1919
2021-06-18
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Kanunnik

eig. persoon, die een canon (zie dat woord) of stel van regels volgt, uit het mlat. canonicus. Nu = koor-, dom- of atiftsheeren, wereldlijke geestelijken, die deel uitmaken van den raad van den bisschop, of die een prove of prebende bezitten; dit zijn seculiere kanunniken, indien zij afzonderlijk leven; wonen zij te zamen als kloosterlingen, dan zi...

Lees verder
1916
2021-06-18
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Kanunnik

Kanunnik - (van het Lat. canonicus), in de R.-K. Kerk oudtijds een der geestelijken, die op de daarvoor opgestelde lijst (canon) van een kerk vermeld stonden; later, na verdere uitbreiding van het gemeenschappelijk geestelijke leven, de geestelijken, leden van wereldlijke domstichten (canonici saeculares = wereldlijke kanunniken), en die der ordens...

Lees verder
1898
2021-06-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kanunnik

KANUNNIK, m. (-en), (R.-K.) een koor-, dom- of stiftsheer; een wereldlijk geestelijke, die deel uitmaakt van het kapittel, of ook die eene prove of prebende bezit; reguliere kanunniken, kloosterlijk samenlevende kanunniken, in tegenstelling met wie de andere dan seculiere kanunniken heeten. KANUNNIKES, v. (-sen).