Wat is de betekenis van kankeren?

2020
2021-04-16
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

kankeren

1) (1980+) (plat) gooien, smijten. Syn.: donderen*; donderstenen*; donderstralen*; flikkeren*; flikkerstralen*; jensen (jenzen)*; jetsen*; ketsen*; keutelen*; kicken*; knikkeren*; kukelen*; kwakken*; lazeren*; lazerstralen*; mieteren*; peunen*; pleuren*; rotten*; sodeflikkeren*; sodehannesen*; sodekankeren*; sodekwakken*; sodemieteren*; sodemirakel...

Lees verder
2019
2021-04-16
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kankeren

kankeren - Werkwoord 1. (inerg) ~ op uit protest schelden Op die maatregel is nog jaren flink gekankerd. Uitdrukkingen en gezegden ♦ op iets kankeren

Lees verder
1980
2021-04-16
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Kankeren

Het woord kankeren betekent: morren, wrokken. Het is afgeleid van het zelfstandig naamwoord kanker, een verhollandsing van het Latijnse cancer, dat krab betekent. Men geeft de naam kanker aan een kwaadaardig gezwel, omdat het met zijn blauwe vaatvertakkingen aan een krab doet denken. Niet zeer bekend is de zegswijze: de kanker aan iemand gezien heb...

Lees verder
1973
2021-04-16
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

kankeren

(kankerde, is en heeft gekankerd), I. (onoverg.) 1. de kanker hebben, kankerig zijn; 2. als kanker weg-, invreten, zich woekerend verspreiden (van kwaad); 3. ontevreden, knorrig afgeven op toestanden en personen, morrend mopperen: hij loopt altijd te —; II. (overg.) (niet alg.) iemand —, plagen, pesten.

Lees verder
1952
2021-04-16
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kankeren

v., kankerje; -d, kankerich.

1950
2021-04-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Kankeren

(kankerde, is en heeft gekankerd), 1. de kanker hebben, kankerig zijn ; 2. als kanker weg-, invreten; zich woekerend verspreiden (van kwaad); 3. ontevreden, knorrig afgeven op toestanden en personen, morrend mopperen : hij loopt altijd te kankeren; 4. (niet alg.) iem. kankeren, plagen, pesten.

Lees verder
1949
2021-04-16
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

kankeren

plagen; pesten.

1898
2021-04-16
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kankeren

KANKEREN, (het kankerde, is gekankerd), weg-, invreten (door den kanker); (fig.) zich verspreiden (van kwaad); — ontevreden, knorrig af geven op zijne meerderen, wrokkend mopperen : hij loopt altijd te kankeren.

Lees verder