Wat is de betekenis van kanjer?

2020
2022-05-18
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

kanjer

1) (1898) (jeugd) uitmuntend iemand; knappe vrouw of vent. Oorspronkelijk (in het Bargoens) had het woord een negatieve betekenis: 'een stevig, brutaal wijf; ongemakkelijke tante'. Vgl. spetter*; stuk*. • Stien was een kanjer, god - god wat een meid, van vleezigen rug en knuistige billen. (De Jonge Gids. Volume 1. 1898) • Kanjer, (barg.)...

Lees verder
2019
2022-05-18
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kanjer

kanjer - Zelfstandignaamwoord 1. iets bijzonder groots of opvallends Voorbeeldzin met het kanjer erin. 2. iemand die iets doet dat buitengewoon gevonden wordt Je bent echt een kanjer, dat je dat voor elkaar gekregen hebt. Synoniemen [1-...

Lees verder
2018
2022-05-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

kanjer

kanjer - zelfstandig naamwoord uitspraak: kan-jer 1. man of vrouw met mooi lichaam ♢ mijn zoon is een echte kanjer! 2. iets wat heel groot is ♢ hij heeft een kanjer van een auto ...

Lees verder
1994
2022-05-18
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Kanjer

ook (in spreektaal): kanjerd [v. 17e-eeuws Ned. Kanjaert of Kanjert (= het heertje), naam die gegeven werd aan een persoon die iets betekende of dat althans meende; missch. van Fr. cagnard = onverschillig lui iemand] (gemeenzaam) 1 groot en fors iemand; vandaar ook: iets dat in zijn soo...

Lees verder
1980
2022-05-18
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Kanjer

Het woord kanjer is hetzelfde als het Franse cagnard, dat: luiwammes betekent en samenhangt met het Latijnse canis: hond. In vormen als: Kanjaart, Cagnaert, Canjaert kwam het in de zestiende en zeventiende eeuw veelvuldig in kluchtspelen voor als eigennaam voor mensen die een hoge dunk van zichzelf hadden. Van leegloper, lanterfant is het woord dus...

Lees verder
1973
2022-05-18
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

kanjer

m. (-s), 1. een zeer groot (en fors) persoon; vandaar iets dat groot is in zijn soort, joekel: een — van een appel; kijk eens, wat een kanjer!; 2. ongemakkelijk persoon, m.n. een groot, brutaal vrouwspersoon: een — van een wijf.

Lees verder
1952
2022-05-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Kanjer

s., kanjer, kokkert, knaep, baes.

1937
2022-05-18
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

kanjer

m. kanjers (iets, dat groot is in zijn soort; kokkerd): een kanjer van een vis; een kanjer van een wijf, groot (brutaal) vrouwspersoon; gew. hij is een kanjer, een nare vent.

1898
2022-05-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kanjer

KANJER, m. (-s), iets dat groot is in zijne soort, kokkerd : een kanjer van een appel; — een kanjer van een wijf, eene pootige vrouw; — ’t is zoo’n kanjer, hij is niet gemakkelijk om mee te beginnen; (ook) ’t is zoo’n nare, beroerde vent.

Lees verder