Wat is de betekenis van kaartje?

2019
2020-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

kaartje

kaartje - Zelfstandignaamwoord 1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kaart 2. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord kaar

Lees verder
1973
2020-11-29
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

kaartje

o. (-s), 1. kleine kaart; 2. naam-, visitekaartje; zijn — afgeven; zijn — ergens (achter-)laten, (vroeger) als blijk dat men iemand heeft willen bezoeken; naam- en adreskaartje van een leverancier; 3. uitnodigingskaartje; toegangskaartje: heb je al kaartjes voor de bioscoop?; 4. plaatsbewijs voor een openbaar middel van vervoer, spoor-,...

Lees verder
1898
2020-11-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Kaartje

KAARTJE, o. (-s), kleine kaart; naam-, visitekaartje : zijn kaartje afgeven; zijn kaartje ergens laten, ten blijke dat men iem. heeft willen bezoeken; — toegangskaartje: hebt gij al kaartjes voor de komedie ? om op het perron te komen, moet gij een kaartje hebben; — spoor-, tramkaartje enz. : een kaartje tweede klasse; ik zal eerst kaa...

Lees verder