Wat is de betekenis van jennen?

2020
2020-11-24
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

jennen

1) (16e eeuw) (Barg. oorspr. jonen) liegen; bedriegen; vals spelen. • Jonen, bedriegen. (Moormann: Bronnenboek. 1892) • Jennen, spelen, liegen. Ik ga jennen. Jen wat voor me. (Köster Henke: De boeventaal. 1906) • Pas op, dat je me niet joont. (Van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937) • Sindsdien lag hij in zijn krantje aanhoud...

Lees verder
2019
2020-11-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

jennen

jennen - Werkwoord 1. (ov) pesten, uitdagen Hou eens op je broertje te jennen. Synoniemen plagen

Lees verder
2018
2020-11-24
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

jennen

jennen - regelmatig werkwoord uitspraak: jen-nen 1. gemeen plagen ♢ ze jennen die jongen met de rode haren voortdurend Regelmatig werkwoord: jen-nen ik jen jij/u jent ...

Lees verder
2017
2020-11-24
Mark Nelissen

Professor emeritus in de gedragsbiologie.

jennen

jennen - Zie mobbing.

2014
2020-11-24
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

jennen

(< Jidd. Jowen, Griek; de Grieken hadden de reputatie vals te spelen?), treiteren, sarren: Teveel jennen kan hij thuis niet, want dan tremt moeder hem vakkundig in elkaar, BOTING2 43.

1973
2020-11-24
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

jennen

(jende, heeft gejend), 1. plagen, sarren; 2. spelen.

Lees verder
1949
2020-11-24
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

jennen

spelen; liegen. Ik ga jennen. Jen wat voor me.

Lees verder
1914
2020-11-24
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

jennen

jennen - (argot), spelen, liegen; „jenner”: speler; „jennetje”: leugen.

Gerelateerde zoekopdrachten