Wat is de betekenis van jas?

2022
2022-08-08
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

jas

1) (1960+) (inf.) condoom. Ook wel: jasje zonder mouwen; overjas; regenjas. 'Dat scheelt een jas': er hoeft geen condoom te worden gebruikt. 'Een jas uitgedaan hebben': zwanger zijn. • Meyer, een verschrikkelijke schuinsmarcheerder, komt bij een huidarts, en zegt: dokter, moet u horen wat me nóu overkomen is, ik had een aardig mokkeltje...

Lees verder
2020
2022-08-08
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

jas

Het begrip jas heeft 3 verschillende betekenissen: 1) overkledingstuk. kledingstuk met mouwen en een voorsluiting, dat vanaf de schouders tot onder het middel valt en vaak ongeveer tot aan of onder de knieën reikt, en dat over de bovenkleding buiten wordt gedragen ter bescherming tegen kou of neerslag. 2) bovenkledingstuk. boven...

Lees verder
2020
2022-08-08
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Jas

Zie Caspar

2019
2022-08-08
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

jas

jas - Zelfstandignaamwoord 1. (kleding) kledingstuk dat over andere kledingstukken gedragen wordt en die de romp en armen bedekt 2. (kaartspel) de troefboer, dat wil zeggen de boer van de kleur speelkaarten die van hogere waarde is dan de andere kleuren kaarten jas - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige t...

Lees verder
2018
2022-08-08
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

jas

jas - zelfstandig naamwoord 1. kledingstuk dat je over je andere kleren draagt als je naar buiten gaat ♢ koop maar een warme jas voor de winter 1. hem aan zijn jasje trekken [hem herinneren aan wat hij beloofd h...

Lees verder
2017
2022-08-08
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Jas

Jas - 'een jas uittrekken': een inspanning leveren.

2014
2022-08-08
Mokums woordenboek

Ditte Simons en Hans Heestermans

jas

(etym.?), strop, tegenvaller: Fauruit geipekop, achteruit, dat flikje iedere oafind, moar je hep nou ’n jas ... wacht nou moar tot ’t loatste (bij de uitdeling van brood), SMIS1 56.

1997
2022-08-08
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

jas

zie sterven, stikken.

1993
2022-08-08
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Jas

troefboer (kaartsp.)

1990
2022-08-08
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

jas

jas - Bovenkleding gevormd naar het bovenlichaam en doorlopend tot beneden de heuplijn, open aan de voor- of zijkant en in het algemeen met mouwen. Ook soortgelijke overkleding gedragen ter bescherming tegen het weer.

1977
2022-08-08
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

jas

jas - voorbehoedmiddel, kapotje. Ook wel: jasje zonder mouwen en regenjas, overjas.

1964
2022-08-08
voornamen

Voornamenboek

Jas

m/v -> Caspar (Fri. (vr.)). Zie ook Jasper.

1955
2022-08-08
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Jas

(Barg.) een jas krijgen: slecht wegkomen; iemand een jas geven: iemand in het ootje nemen, beetnemen.

1952
2022-08-08
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Jas

r., jas.

1950
2022-08-08
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Jas

1. mansnaam, verkorting van Jasper; — (spr.) naar Kapitein Jas gaan, doodgaan ; 2. (kaartsp.) troefboer; jas en ml, het allervoornaamste wat men nodig heeft; . jasspel; —i. (gemeenz.) teleurstelling, strop, misrekening : een jas krijgen, teleurgesteld worden ; dat was een jas voor hem, een grote tege...

Lees verder
1949
2022-08-08
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

jas

strop; misrekening. Geef hem een jas, voor 't lapje houden, verdraai de zaak.

1948
2022-08-08
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

jas

v. 1 Surinaamse benaming van de framboesia, z. d. w.; 2 troefboer, vandaar het kaartspel jassen.

1939
2022-08-08
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Jas

Kledingstuk met afgebroken lusje.

1937
2022-08-08
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

jas

I. v. jassen (1 kledingstuk voor mannen met mouwen, bij het uitgaan over de bovenkleding aangetrokken; 2 mansbovenkledingstuk; vero.: damesmorgenjapon): 1 een geoliede jas; de kraag van zijn jas op; 2 jas, broek en vest; een geklede jas; een dun wit jasje; nog: mil. een jas hebben, er naast grijpen; Z.-N. inz. sedert 1914: soldaat en dan m. II....

Lees verder
1919
2022-08-08
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Jas

benaming van den troefboer in zeker kaartspel, dat zelf naar den hoofdkaart Jassen genoemd wordt; waarschijnl. verkorting van den voornaam Jasper, vroeger zeer algemeen, die o. a. veel in oude tooneelspelen voorkomt als naam voor den knecht. Vgl. den naam Zwarte Piet (hgd. schwarze Peter) voor schoppenboer.