Wat is de betekenis van janhagel?

2020
2021-08-03
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

janhagel

(17e eeuw) (zeem.) (min.) landhazen* maar ook voor het gemene (scheeps)volk; het gepeupel*. Het WNT geeft al een vindplaats uit 1634: 'Jan Haghel gaet aen 't eten: het matrozenvolk gaat eten.' Rond 1650 werd de uitdrukking ook in niet-collectieve zin gebruikt voor een gewone man uit het volk. De Nederlandse dichter Constantijn Huygens (1596 - 1687)...

Lees verder
2019
2021-08-03
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

janhagel

janhagel - Zelfstandignaamwoord 1. (voeding) een rechthoekig, broos koekje, bedekt met grove suiker (de 'hagel') en eventueel amandelschaafsel Op de markt had ik een zak met heerlijke janhagel gekocht. janhagel - Zelfstandignaamwoord 1. (pejoratief) gespuis, gepeupel ...

Lees verder
2007
2021-08-03
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

janhagel

(zeemanstaal) tandkazen maar ook het gemene (scheeps)volk; het gepeupel. Het WNT geeft al een vindplaats uit 1634: ‘Jan Haghel gaet aen ’t eten: het matrozenvolk gaat eten.’ Rond 1650 werd de uitdrukking ook in niet-collectieve zin gebruikt voor een gewone man uit het volk. De Nederlandse dichter Constantijn Huygens (1596-1687) ge...

Lees verder
1998
2021-08-03
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Janhagel

minachtende ben. voor ‘het gemene volk; het gepeupel’. Rond 1650 werd de uitdr. ook in niet-collectieve zin gebruikt voor een gewone man uit het volk. De Nederlandse dichter Constantijn Huygens (1596 - 1687) gebruikte deze zegswijze rond 1672 als verzamelnaam. In de 17de eeuw verstond men onder Jan Hagel ook de matrozen. Ook het Nieuwhoogduits kent...

Lees verder
1997
2021-08-03
Vloeken

Prof. dr. P.G.J. van Sterkenburg: Vloeken, een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie (SDU, 2001).

janhagel

Volgens het WNT werd dit woord in Het Leven van Maurits Lijnslager [1808] van A. Loosjes bij wijze van vloekwoord gebruikt in de betekenis ‘drommels’. Het citaat: “Toen het waeter zo janhaegels begon te rijzen.”

Lees verder
1982
2021-08-03
Encyclopedie van Zeeland

Alles over Zeeland

JANHAGEL

(Zeeuws-Vlaamse). Gebak, geheel anders dan gewone Janhagel; het lijkt meer op ontbijtkoek en wordt ook wel stroopjanhagel genoemd of schröatels. Het bestaat uit: bloem, stroop, honing, anijszaad, kaneel (soms koekkruiden) en potas. Het deeg wordt in stukken gesneden van ± 20 bij 25 cm en op een bakplaat gebakken. Thans wordt het niet me...

Lees verder
1977
2021-08-03
Spreekwoorden en gezegden

F. Stoet, uitgegeven door Thieme Meulenhoff ©

Janhagel

gepeupel, de heffe des volks, gemeen volk, hak en zijn gemak. In de 17de eeuw verstond men hieronder matrozen, zonder bepaald ongunstige bijgedachte, en was Janhagel hetzelfde als Jan Rap en thans Janmaat (oorspr. aanspreekvorm, waarin maat matroos betekent). Eigenlijk wil deze benaming zeggen: Jan, die telkens uitroept: de hagel sla hem of de hage...

Lees verder
1973
2021-08-03
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

janhagel

1. o., oorspronkelijk het geringe volk, m.n. voor de lagere schepelingen, thans: de heffe des volks, het gepeupel; 2. m., een soort van broze koek, in de vorm van dunne rechthoekige bladen en met kleine bolletjes suiker (hagel) bedekt.

Lees verder
1955
2021-08-03
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Janhagel

een soort koekje met suiker; het grauw, het gemeen

1952
2021-08-03
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Janhagel

s.n., janrap (en syn maet).

1937
2021-08-03
Woordverklaring

Dr. L.M. Metz - 1937

Janhagel

Koek in platte reepen, gebakken van een beslag van meel, bruine suiker, boter en ei. De oppervlakte wordt besmeerd met geklopt ei en bestrooid met suiker en gesnipperde amandelen.

1925
2021-08-03
Nederlandse spreekwoorden

Nederlandse spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden (1923-1925) door F.A. Stoett

Janhagel

D.w.z. het gepeupel, de heffe des volks, het gemeene volk, hak en mak, hak en zijns gemak; sedert de 17de eeuw zeer gewoon (zie [i]Ndl. Wdb.[/i] VII, 199). In de 17de eeuw verstond men onder dezen naam ook de matrozen en was Janhagel hetzelfde als Jan Rap; 17de eeuw: hagelschut, gepuffel, gorle goy, enz., menschen van den zelfkant der...

Lees verder
1919
2021-08-03
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Janhagel

vroeger Jan Hagel, voor: het grauw, het gepeupel, een groep menschen, in ongunstigen zin, vroeger, en in Z.-Ned. nog, ook voor: één man uit het volk, zooals voor het collectief ook: Jan Hagel en zijn maat; hgd. Janhagel en Hans Hagel. Hoe vaak in allerlei algemeene soortbenamingen het woord Jan gebezigd wordt, kan men in het Ned, Wdb....

Lees verder
1898
2021-08-03
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Janhagel

Het begrip janhagel heeft 2 verschillende betekenissen: 1. janhagel - JANHAGEL, v. eene soort van broze koek, in den vorm van dunne rechthoekige bladen en met kleine hoopjes suiker bedekt, gebakken. 2. janhagel - JANHAGEL, o. de heffe des volks het gemeene volk.

Lees verder