Wat is de betekenis van Ironisch?

2019
2021-06-13
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ironisch

ironisch - Bijvoeglijk naamwoord 1. iets in een merkwaardig of lachwekkend daglicht stellend Zijn ironische opmerking maakte het moeilijk ons gezicht in de plooi te houden. Woordherkomst Afgeleid van ironie met het achtervoegsel -isch. Synoniemen spottend Verwante begri...

Lees verder
2018
2021-06-13
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ironisch

ironisch - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: i-ro-nies 1. met grappig doen iemand belachelijk makend ♢ wie ironisch spreekt, zegt vaak het tegendeel van wat hij vindt 1. ironisch glimlachen [met een...

Lees verder
1993
2021-06-13
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Ironisch

spottend

1973
2021-06-13
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

ironisch

bn. en bw., spotachtig, als berustend op, gebruik makend van ironie: ironische opmerkingen; in — gebruik; — glimlachen.

1955
2021-06-13
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Ironisch

bedekt spottend, irradiatie, uitstraling van pijn; optisch bedrog, waardoor lichte voorwerpen tegen donkere achtergrond groter schijnen dan ze zijn en omgekeerd

1950
2021-06-13
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Ironisch

bn. bw., spotachtig, sarcastisch schamper.

1948
2021-06-13
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

ironisch

fijn schertsend, spottend.

1898
2021-06-13
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ironisch

IRONISCH, bn. bw. spotachtig, sarcastisch, schamper.