Wat is de betekenis van Ipse?

2026-09-17
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Ipse

(Lat.), vn., zelf; ipsc dixit, hij zelf (de meester,...

2026-09-17
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks (1993)

Ipse

zelf

2026-09-17
De vreemde woorden

Fokko Bos, Dr. O. Noordenbos (1955)

Ipse

zelf; ipse dixit: hij (de meester) heeft het zelf gezegd

2026-09-17
Woordenboek Nederlands -Latijn

Dr. J.F.L. Montijn (1949)

Ipsĕ

a, um, gen. ipsīus (bij dichters ipsĭus), dat....

2026-09-17
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

ipse

(‘ipse) pers. vrnw....

2026-09-17
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

ipse

[Lat.], vn., zelf.

2026-09-17
Vivat's Geïllustreerde Encyclopedie

J. Kramer (1908)

Ipse

lat., zelf. Komt voor in verschillende uitdrukkingen, zooals...

2026-09-17
Wink's vreemde woordenboek

dr. Jan Romein (1906)

Ipse

Lat., zelf.

2026-09-17
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Ipse

IPSE, zelf; ipse dixit, hij zelf, (de meester) heeft het...