Wat is de betekenis van inzicht?

2021
2022-10-06
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Inzicht

Inzicht is de toestand dat men iets begrijpt of als men snapt hoe iets in elkaar zit. Het is een vorm van zelfbewustzijn; hoe iemand ergens naar kijkt. ‘Inzicht’ is het psychotherapeutische begrip voor het emotionele/verstandige begrijpen van de eigen psychische toestand Drie vormen van inzicht zijn; inzicht uit het intellect (wat is nuttig voor o...

Lees verder
2019
2022-10-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

inzicht

inzicht - Zelfstandignaamwoord 1. het doorhebben hoe iets in elkaar zit Hij heeft een goed inzicht in schaak. 2. het beseffen of erkennen van iets Inzicht is de eerste stap tot verandering. 3. inzage; het inzien (van een document) ...

Lees verder
2018
2022-10-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

inzicht

inzicht - zelfstandig naamwoord uitspraak: in-zicht 1. het snappen hoe iets in elkaar zit ♢ hij heeft weinig inzicht in deze zaak 1. tot inzicht komen [spijt of berouw krijgen] ...

Lees verder
2017
2022-10-06
WizWijs

Inzicht voor leerling en leerkracht

inzicht

Inzicht is het begrijpen hoe iets in elkaar zit en waarom en hoe iets werkt. Volgens Wizwijs is inzicht in het waarom en hoe van rekenkundige handelingen een voorwaarde om een goede rekenaar te worden. Het is zinloos om rijtjes sommen te maken als een leerling niet begrijpt op welk denkmodel de sommen gebaseerd zijn en voor welke reken-wiskundige p...

Lees verder
2004
2022-10-06
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

inzicht

(het) in België ook: bedoeling, plan, voornemen - het inzicht hebben te, de bedoeling hebben om. - met inzicht iets doen, met opzet iets doen .- met het inzicht, met het opzet, met de bedoeling.

Lees verder
1973
2022-10-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

inzicht

o. (-en), 1. (eig.) gezicht naar binnen of binnenin iets; 2. blik, kijk met het oog van de geest in de aard of het wezen van iets, intellectuele beheersing van een samenhang, begrip (e): hij heeft een goed — in de zaak; bij hogere dieren kan men ook van — spreken;vermogen om in te zien: geleid door een vaste wil en een juist—; 3...

Lees verder
1952
2022-10-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Inzicht

s.n., ynsjoch (it), ynsjen (it) bigryp (it), bitinken (it); volgens mijn —, nei myn forstân; totkomen, ta bisef komme; naar eigenhandelen,op eigen kompas sile; verkeerd —, missjoch (it), misbigryp (it).

1950
2022-10-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Inzicht

o. (-en), 1. (eig.) gezicht naar binnen of binnenin iets; 2. blik, kijk met het oog van de geest in den aard of het wezen van iets, doorzicht, begrip : hij hééft een goed inzicht in de zaak; — vermogen om in te zien : geleid door een vaste wil en een juist inzicht: 3. besef, inz. omtrent een zedelijke gesteldheid...

Lees verder
1947
2022-10-06
Winkler Prins Encyclopedie

Winkler Prins 1947

Inzicht

(1) noemt men de intellectuele beheersing van een samenhang. Het treedt vaak plotseling op, hetzij na een zoekperiode hetzij zonder voorafgaand zoeken doch in onmiddellijke confrontatie met een situatie. Men spreekt dan wel van het „Aha-Erlebnis” (K. Bühler, 1907). Inzicht kan zich ook geleidelijk baan breken. Inzicht, bereikt na o...

Lees verder
1939
2022-10-06
Humoristisch woordenboek

Amusant-Zorgenverdrijvend Woordenboek (De Kolibri)

Inzicht

Geflatteerde benaming voor opwelling.

1937
2022-10-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

inzicht

o. -en (1 mening; 2 doorzicht, kijk op de zaak; 3 bedoeling, oogmerk): 1 naar of volgens mijn inzicht; 2 geen inzicht hebben; 3 goede inzichtingen hebben; met het inzicht om.

Lees verder
1930
2022-10-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

inzicht

('in) o. (-en) [< inzien I 3] I. Eig, begrip, kijk : een goed in de zaak hebben; tot komen, geraken. II. Metn. [gevolg van I] 1. mening : naar, volgens mijn -. 2. bedoeling, oogmerk : welk is zijn daarmee ?.

Lees verder
1898
2022-10-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Inzicht

INZICHT, o. (-en), doorzicht, begrip : hij heeft een goed inzicht in de zaak; tot inzicht komen of geraken; — meening: kent gij zijn inzicht daaromtrent ? naar mijn inzicht; — (w. g.) bedoeling, oogmerk, voornemen: wat inzicht zou hij daarmee hebben ?

Lees verder