Wat is de betekenis van Integraal?

2020
2020-12-05
Redactie Ensie

Schrijver op Ensie

Integraal

Het bijvoeglijke naamwoord 'integraal' wordt gebruikt als iets allesomvattend is, er ontbreekt niets. Synoniemen van integraal zijn: voltallig, algeheel, helemaal, volledig, onverkort. De term wordt veel gebruikt in de politiek, bij het maken van beleid: "de oplossing van het fileprobleem vraagt om een integrale aanpak". Ook komt het begrip veel vo...

Lees verder
2019
2020-12-05
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

integraal

integraal - Zelfstandignaamwoord 1. (wiskunde) limiet van de som van onbepaald afnemende termen integraal - Bijvoeglijk naamwoord 1. voltallig, geheel, allesomvattend, volledig: -grale publicatie (bw) (bn) Woordherkomst afgeleid van het Franse intégral

Lees verder
2018
2020-12-05
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

integraal

integraal - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: in-te-graal 1. in zijn geheel, zonder dat er iets ontbreekt ♢ de werken van Multatuli zijn integraal uitgegeven Bijvoeglijk naamwoord: in-te-graal de/het integrale ......

Lees verder
1948
2020-12-05
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

integraal

1 aj. een geheel uitmakende, algeheel, volledig; 2 v. Nederl. staatsschuldbrief die 2 ½ % rente geeft.

Lees verder
1939
2020-12-05
Vreemde woorden in de wiskunde

Dr. E.J. Dijksterhuis - 1939

Integraal

(< Lat. iniegralis; < integer = geheel). Leibniz(1646—1716) beschouwde de oppervlakte van de figuur, begrensd door de kromme y = f(x), de coördinaatassen en een willekeurige eindordinaat, als som van oneindig veel oneindig smalle rechthoeken; hij st elde die som door een letter ƒ (lange vorm van de s) en noemde de rekenwijze,...

Lees verder
1933
2020-12-05
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Integraal

(< Lat. integer = volledig) (wisk.), instrument, dat dient ter mechanische uitvoering van graphische integraties (→ Graphische berekeningswijzen). Hierbij beweegt zich een stift langs de gegeven kromme y = f(x), terwijl een teekenstift automatisch een kromme lijn beschrijft, die een der integralen van f(x) is. [i]J. Ridder[/i] Lit.: Galle,...

Lees verder
1928
2020-12-05
Wat is dat?

Wat is dat? Encyclopedie voor jongeren (1938).

Integraal

Behalve voor het woord integraal-rekening, die in de hogere algebra een rol speelt, is integraal het oude, ook in het buitenland bekende woord voor een schuldbrief van den Nederlandsen Staat uit 1814, toen de Nederlandse staatsschuld werd geordend en integralen de stukken werden genoemd, die in hun geheel (vandaar integraal) als werkelijke schuld e...

Lees verder
1923
2020-12-05
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Integraal

(uit het Fr. intégral, van Lat. integrum, het geheel), bijv. nw. voor gans, in zijn geheel; zelfst. nw. (in de wiskunde) som van oneindig vele, oneindig kleine grootheden. Integrale prikkeling, prikkeling van het geheel.

1916
2020-12-05
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Integraal

Integraal - (wisk.), limiet, waartoe een som nadert als men ’t aantal termen onbepaald laat toenemen, terwijl elke term tegelijkertijd onbepaald afneemt. —Voor de berekening van de integralen der verschillende functies zie bij INTEGRAALREKENING/

1914
2020-12-05
De vreemde woorden

De vreemde woorden, verklarend woordenboek door Fokko Bos.

integraal

integraal - op zichzelf staand, een geheel uitmakend; „een integraal” is een Nederlandsche staatsschuldbrief van 2 ½ % rente.

1910
2020-12-05
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Integraal

Integraal - werkelijk, in zijn geheel, onschendbaar, ondeelbaar, volkomen.

1898
2020-12-05
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Integraal

Het begrip integraal heeft 2 verschillende betekenissen: 1. integraal - INTEGRAAL, bn. bw. op zichzelf bestaande, een geheel uitmakend : integrale spoorwegen. 2. integraal - INTEGRAAL, v. (...gralen), onaflosbare staatsschuld, inz. de 21/2&deg;/0 Nederlandsche werkelijke schuld.

Lees verder
1864
2020-12-05
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

integraal

integraal - bn. op zich zelfbestaande, geheel