Inmanen
zw.. ww. tr. 1) Invorderen, boeten, schulden enz. 2) iem. aanzeggen dat hij zich voor een gerecht stellen, of op eene bepaalde plaats inliggen moet; aanmanen om te betalen. 3) iem. aanmanen om tot hem te komen. 4) enen iet i., iem. iets op het hart drukken of inprenten.