Wat is de betekenis van inkorten?

2023-12-09
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

inkorten

inkorten - Werkwoord 1. Iets korter maken. Iets kleiner maken. Ik zou u aanraden de rok een ietsje te laten inkorten. Woordherkomst samenstelling van in en korten Verwante begrippen afkorten, bekorten, verkorten

2023-12-09
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

inkorten

Het aantal troeven in een hand door middel van introevers doen verminderen. ‘Inkorten’ (van zichzelf of van de dummy) kan een bewuste manoeuvre van de leider zijn, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van een troefcoup. Zie ook: troefkort


Direct alle 10 resultaten bekijken?

Word vriend van Ensie!

2023-12-09
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

inkorten

inkorten - regelmatig werkwoord uitspraak: in-kor-ten 1. korter maken door iets van de lengte af te halen ♢ ik moest de broek drie centimeter inkorten 2. korter van tijd maken ♢ zijn straf is me...

2023-12-09
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

inkorten

inkorten - Een tekst bewerken tot een kortere, beknopte vorm, vaak door de minder belangrijke passages van het origineel weg te laten.

2023-12-09
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Inkorten

v., yn-, bi-, forkoart(sj)e.

2023-12-09
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Inkorten

(kortte in, heeft en is ingekort), I. overg., 1. korter maken door er iets af te nemen : takken inkorten ; van onstoff. zaken: gij moet uw verhaal wat inkorten, bekorten ; 2. door intrekken korter maken : een touw, de teugels inkorten; — (overdr.) hij moet ingekort worden, hij moet korter gehouden worden : 3. k...

2023-12-09
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

inkorten

kortte in, h. (1, 2, 3), i. (4) ingekort (1 korter maken; 2 v. e. schuld enz.: kleiner doen worden; 3 kortwieken; 4 korter worden, minderen): 1. een riem inkorten, de stijgbeugels inkorten; 2. een schuld inkorten, allengs betalen; iem. inkorten, hem zijn schuld bij gedeelten betalen; 3. iems. gezag inkorten; 4 zijn tijd begint al in te korten; de v...

2023-12-09
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

inkorten

('in) (kortte in, ingekort) I. (heeft) 1. korter, kleiner maken: een touw, een verhaal -. Syn. → afkorten. 2. allengs betalen: een schuld -; iemand -, hem zijn schuld allengs afbetalen. 3. verminderen, kortwieken : iemands gezag -. II. (is) 1. korter worden : zijn tijd begint in te korten. 2. slinken : de voorraad is aan ’t...

2023-12-09
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

inkorten

(kortte in, heeft en is ingekort), I. (overg.) 1. korter maken door er iets af te nemen: takken van onstoff. zaken: u moet uw verhaal wat-, bekorten; 2. door intrekken korter maken; de teugels —; (overdr.) hij moet ingekort worden, hij moet korter gehouden worden; 3. kleiner, geringer laten worden: iemands gezag —; II. (onoverg.) kort...

2023-12-09
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Inkorten

INKORTEN, (kortte in, heeft en is ingekort), door intrekken korter maken: een touw, de teugels inkorten; — gij moet uw verhaal wat inkorten, bekorten; (w. g.) eene schuld inkorten, allengs minder doen worden; — iemands straftijd inkorten, korter maken; iemands gezag inkorten, het kleiner maken; — (fig.) beteugelen, in bedwang houd...