Wat is de betekenis van infaam?

2019
2021-06-24
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

infaam

infaam - Bijvoeglijk naamwoord 1. eerloos, snood; schandelijk infaam - Bijwoord 1. bijwoord van graad Die plaatjes zijn infaam slecht getekend.

Lees verder
1994
2021-06-24
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Infaam

[Fr. infame, van Lat. infamis = berucht] schandelijk, eerloos.

1993
2021-06-24
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Infaam

eerloos

1981
2021-06-24
Zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Infaam

schandelijk, eerloos, gemeen.

1973
2021-06-24
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

infaam

[→Fr.], bn. enbw. (-famer, -st), 1. eerloos, snood; schandelijk; 2. als bw. van graad, schandelijk: die prentjes zijn — slecht getekend.

1955
2021-06-24
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Infaam

eerloos, schandelijk; snood.

1952
2021-06-24
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Infaam

adj. & adv., ynfaem, skandelik.

1950
2021-06-24
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Infaam

(<Fr.), bn. (...famer, -st), eerloos, snood; schandelijk.

1949
2021-06-24
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Infaam

(Lat. injamis), eerloos, schandelijk. Infamie, verlies van burgerlijke en staatkundige rechten. Vroeger brachten bepaalde onterende straffen (bv. tuchthuisstraf) van rechtswege I. mede.

Lees verder
1948
2021-06-24
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

infaam

eerloos, geschandvlekt, schandelijk.

1898
2021-06-24
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Infaam

INFAAM, bn. (...famer, -st), eerloos, snood; schandelijk.

1864
2021-06-24
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

infaam

infaam - bn. (infamer, infaamst), eerloos, snood; geschandvlekt