Wat is de betekenis van indolent?

2020
2021-04-15
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

indolent

onverschillig; traag. gekenmerkt door geringe vitaliteit en door desinteresse in wat moeite of toewijding vergt; traag en onverschillig. Voorbeelden: 'Alles goed en wel,' bulderden de officieren van justitie, 'maar heeft hij later ooit nog zijn best gedaan haar terug te veroveren? Neen. Hij is indolent, kruiperig, druk...

Lees verder
2020
2021-04-15
Onze Taal

Genootschap Onze Taal | Woordpost

indolent

lusteloos, traag, onverschillig uitspraak [in-do-lent] citaat “Of ik het scenario wilde schrijven voor deze film. Toen ben ik het boek gaan lezen. Het is lastig, want er zit geen echt verhaal in. Iedereen kletst maar een eind weg. Dat is grappig, want het is goed geschreven. Maar voor een film kan dat niet. En het speelt zich af op &eacut...

Lees verder
2019
2021-04-15
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

indolent

indolent - Bijvoeglijk naamwoord 1. traag en onverschillig Voor Sluijters' favoriete zwarte model Tonia, noch voor de 'schijnbaar indolente' Stieltjes vormde Mondriaans reputatie van een dolende in de abstractie een belemmering om vanaf hun eerste ontmoeting een `intense bewondering' voor de man en...

Lees verder
1994
2021-04-15
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Indolent

[VLat. indolens, -entis, van in- = niet-, en Lat. dolere = smarten, van dolor = smart] eig.: ongevoelig; traag, lusteloos, vadsig lui, onverschillig.

1993
2021-04-15
Vreemd Nederlands

Vreemd Nederlands

Indolent

lusteloos

1973
2021-04-15
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

indolent

[→Fr.], bn. (-er, -st), lusteloos, traag van geest en gemoed.

1955
2021-04-15
vreemd

Vreemde woordenboek

Indolent

onverschillig, lusteloos; zorgeloos.

1954
2021-04-15
Medisch

Eerste Medisch Systematische Ingerichte Encyclopedie

Indolent

1. onpijnlijk; 2. traag, weinig actief.

Lees verder
1950
2021-04-15
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Indolent

(<Fr.), bn. (-er, -st), lusteloos, traag van geest en gemoed.

1948
2021-04-15
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

indolent

1 lusteloos, traag, vadsig; 2 geen pijn veroorzaken.

1923
2021-04-15
Uitheemsche geneeskunde termen

dr. H. Pinkhof, 2e druk 1935

Indolént

(in en do lens, pijn lijdend), ongevoelig voor pijn, geen pijn teweegbrengend; bijv. van lymphklierzwelling bij syphilis (indolente bubonen); van een persoon gezegd: traag.

1916
2021-04-15
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Indolent

Indolent - geen pijn hebbende, niets gevoelende; onverschillig, lusteloos, traag. Indolentie: ongevoeligheid voor elken prikkel, onverschilligheid, lusteloosheid, traagheid, zorgeloosheid, slaperigheid, stompzinnigheid.

1898
2021-04-15
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Indolent

INDOLENT, bn. (-er, -st), onverschillig, zorgeloos, traag.

1864
2021-04-15
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

indolent

indolent - bn. (indolenter, indolentst), onverschillig, zorgeloos, traag