Wat is de betekenis van Indecent?

1994
2022-07-04
Vreemde woorden

Woordenboek vreemde woorden

Indecent

[Lat. indecens, -entis] onwelvoeglijk, oneerbaar.

1993
2022-07-04
Vreemd Nederlands

Jan Meulendijks

Indecent

onwelvoeglijk

1973
2022-07-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

indecent

[→Fr.], bn. (-er, -st), (van iemands houding en gebaren, kleding, taal en woorden enz.) onwelvoeglijk, onbetamelijk, aanstotelijk, onzedelijk.

1955
2022-07-04
Vreemd woordenboek

Vreemde woorden woordenboek

Indecent

onbetamelijk, oneerbaar

1950
2022-07-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Indecent

(<Fr.), bn. (-er, -st), (van iemands houding en gebaren, Ideding, taal en woorden enz.) on welvoeglijk, onbetamelijk, aanstotelijk, onzedelijk.

1949
2022-07-04
De Kleine Winkler Prins

Kleine Winkler Prins van A-Z

Indécent

(Fr.), onbehoorlijk, oneerbaar.

1948
2022-07-04
Kramers woordentolk

Vreemde woorden, uitdrukkingen en afkortingen (1948)

indecent

aanstoot gevend, onbetameliJk, oneerbaar.

1937
2022-07-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

indecent

bn., bw. (Fr. indécent: oneerbaar, zedenkwetsend; onwelvoeglijk).

1898
2022-07-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Indecent

INDECENT, bn. (-er, -st), (van iemands houding en gebaren, kleeding, taal en woorden enz.) onwelvoeglijk. onbetamelijk, onfatsoenlijk, aanstootelijk, onzedelijk.

1864
2022-07-04
Beknopt kunstwoordenboek

Beknopt kunstwoordenboek, I.M. Calisch (1864)

indecent

indecent - bn. (indecenter, indecentst), onwelvoegelijk, onbetamelijk, zedekwetsend