Wat is de betekenis van Inboedel?

2026-07-14
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Inboedel

m. (-s), INBOEL, m. (-en), al de roerende goederen in een huis, al het huisraad van een gezin: de gehele inboedel van het afgebrande huis was verzekerd.