Wat is de betekenis van Ijdel?

2019
2023-02-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ijdel

ijdel - Bijvoeglijk naamwoord 1. vol van zelfbewondering, een te hoge dunk hebbend van het eigen voorkomen en/of de eigen bekwaamheden Verwante begrippen ingebeeld, verwaand, zelfgenoegzaam, zelfvoldaan

Lees verder
2018
2023-02-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ijdel

ijdel - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: ij-del 1. wie zichzelf bewondert en/of door anderen bewonderd wil worden ♢ hij is zo ijdel: hij staat uren voor de spiegel 2. ongegrond, niet gebaseerd op feiten ...

Lees verder
1973
2023-02-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

ijdel

bn. en bw. (-er, -st), 1. waardeloos, zinloos, vergankelijk: ijdele dingen; ijdele klanken, woorden, vruchteloos, zonder uitwerking: ijdele pogingen; 2. zonder enige grond: ijdele vrees; ijdele hoop, die niet vervuld wordt of kan worden; 3. met zichzelf ingenomen; gevoelig voor vleierij, pronkzuchtig (thans de meest gewone betekenis): een —...

Lees verder
1952
2023-02-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ijdel

adj. & adv., idel; (nietig), neatich, nearzich, ûnnut; (eigenwijs), poazich proastich, proestich, greatsk, wiis.

1950
2023-02-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ijdel

bn. bw. (-er, -st), 1. (Zuidn.) ledig, niet vol: ijdele vaten, handen; 2. krachte-, waarde-, zinloos, onnut, vergankelijk : ijdele dingen, ijdele klanken, woorden, dromen, vermaken; — vruchteloos, zonder uitwerking : ijdele pogingen ; 3. zonder enige grond: ijdele vrees; ijdele hoop, die niet vervuld wordt of kan...

Lees verder
1937
2023-02-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ijdel

bn., bw. (1 niet-gevuld, ledig, inz. Z.- N.; 2 praalziek; zich verheffende op nietigheden; gevoelig voor vleierij; 3 onbeduidend; 4 zonder enige grond; vruchteloos; 5 louter, niets dan): 1. ijdele vaten; 2. een ijdel meisje; een ijdel mens geeft veel, een trots mens weinig om het oordeel van anderen; 3. rekenschap geven van elk ijdel woord, Matth....

Lees verder
1930
2023-02-06
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ijdel

('ij:dəl) bn. en bw. (-er, -st) [Mned. idel, leeg] 1. zinloos, waardeloos : -e teorieën. 2. onbeduidend, nietig : -e woorden; het aards geluk is -. 3. vergeefs, vruchteloos : -e pogingen. 4. lichtvaardig : Gods naam gebruiken. 5. enkel, bloot, louter : vertoon. 6. zonder grond ; -e vrees, hoop. 7. met zichzelf ingenomen. praalziek,...

Lees verder
1898
2023-02-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ijdel

IJDEL, bn. bv>. (er, -st), (Zuidn.) ijdele vaten, ledig, niet vol: — onnut, vruchteloos : ijdele dingen; ijdele pogingen; ijdele hoop. die niet vervuld wordt of kan worden; — zich verheffend op nietigheden, met zichzelf ingenomen, gevoelig voor vleierij (thans de meest gewone bet.): een ijdel meisje; — zuiver, louter, niets d...

Lees verder
1898
2023-02-06
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

IJdel

zie Hoogmoedig.

1864
2023-02-06
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

IJdel

IJdel, bn. en bijw. (-er, -st), ledig; niet omsloten; onnut, vruchteloos, beuzelachtig; ongegrond; niet duurzaam; een - mensch, een zot, een ingebeelde; -e (onnutte) dingen; -e (vergeefsche) pogingen; -e hoop, die niet vervuld wordt of kan worden; het -, de ledige ruimte, de lucht. *-DARM, m. (-en), (fig.) veelvraat, gulzigaard. *-HEID, v. (...hed...

Lees verder