Iets op zijn duim(pje) kennen (weten)
het perfect weten, kennen. De oudere vorm (reeds bij Everaert, 1523) is iets op zijn duim hebben, met de bet. het kunnen draaien zoals men wil, en vandaar: het in zijn macht hebben, er geheel meester over zijn. Duim wordt hier, met woordspeling, tegelijk gebruikt in de zin van vingerlid en van pin waarop een deurhengsel draait1). Mnl. het draeit op...