Iets (niet) klakkeloos aannemen.
‘Klakkeloos’, van Ndd.: klaklos, d.i.: onvoorzien (Ags.: claeclaes, vrij; Ono.: klaklaust, ongedeerd). De oorsprong van dit woord is onzeker. De bedoeling is: iets (niet) zonder meer, zonder nader onderzoek, aannemen.