Wat is de betekenis van huur?

2020
2021-05-11
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

huur

Het begrip huur heeft 2 verschillende betekenissen: 1) het huren. het huren; overeenkomst waarin het huren en de rechten en plichten van de huurder en verhuurder geregeld zijn. Vaak in toepassing op het huren van een woning. 2) huursom. bedrag dat voor het huren betaald wordt; huursom.

Lees verder
2019
2021-05-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

huur

huur - Zelfstandignaamwoord 1. een geldbedrag voor het tijdelijk gebruik van een woning of gebruiksartikel huur - Werkwoord 1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huren ♢ Ik huur 2. gebiedende wijs van huren huur! 3. (bij inversie) t...

Lees verder
2018
2021-05-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

huur

huur - zelfstandig naamwoord 1. wat je betaalt om iets te mogen gebruiken ♢ zij huurt dat huis van een makelaar 1. de kale huur [waar gas en licht niet bij horen] 2. afspraak...

Lees verder
2017
2021-05-11
Kadaster

Woordenboek van het Kadaster.

Huur

Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.

1990
2021-05-11
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

huur

huur - Betaling door een huurder aan een eigenaar, zoals is vastgelegd in een pachtovereenkomst of huurcontract, in ruil voor het gebruik van een duurzaam goed, bijvoorbeeld een stuk land of onroerend goed.

1981
2021-05-11
zelfstudie

Encyclopedie voor Zelfstudie

Huur

overeenkomst waardoor de verhuurder zich verplicht de huurder het gebruik van een zaak, b.v. een huis of een auto, te geven. De huurder moet daarvoor een huurprijs betalen. De huur is geregeld in het burgerlijk wetboek, maar de huurbescherming ten aanzien van huur van woningen en andere gebouwen vindt men in de Huurwet. Wordt een woning verk...

Lees verder
1976
2021-05-11
Gerben Abma

Encyclopedie van het hedendaagse Friesland (1976)

HUUR

zie Pacht.

1973
2021-05-11
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

huur

v./m. (huren), 1. verbintenis waarbij men iemand of iets huurt of gehuurd heeft (e); de — gaat met november in; iemand de — opzeggen; dit huis is te —, beschikbaar om gehuurd te worden; koop breekt geen —, aangegane huurcontracten worden door verkoop van het perceel niet vernietigd; 2. door de verhuurder bedongen prestatie,...

Lees verder
1971
2021-05-11
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Huur

Huur - → Charteren.

1952
2021-05-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Huur

s., hier, pacht; (loon), lean (it) hier; een(dienstbetrekking) aannemen, jin forhiere, jin bistelle; te —, to hier, to winst; inhebben, op ’e hier hawwe; — van landerijen, lânshier.

1950
2021-05-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Huur

v. (huren), 1. het huren, verbintenis waarbij men iem. of iets huurt of gehuurd heeft: land in huur hebben; een huur sluiten; de huur gaat met November in; iem. de huur opzeggen ; — een huis te huur hangen (of slaan), een plankje aanslaan waarop staat: dit huis is te huur, beschikbaar om gehuurd te worden; &...

Lees verder
1916
2021-05-11
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Huur

Huur - Dit woord was in de Middeleeuwsche rechtsbronnen van alle deelen van ons vaderland veelal de verzamelnaam, waarmee die rechtsverhoudingen werden aangeduid, krachtens welke gebruik en genot bestond van eens anders grond tegen vergoeding in geld of praestatie van diensten. De huurder zette gemeenlijk zelf een hem toebehoorend houten huis op de...

Lees verder
1910
2021-05-11
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Huur

Huur - is een overeenkomst, waarbij de eene partij zich verbindt, de andere gedurende zekeren tijd het genot eener zaak te doen hebben, tegen zekere vergoeding, welke die andere partij aanneemt te betalen. Men onderscheidt: huur van goederen en huur van diensten.

1898
2021-05-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Huur

HUUR, v. (huren), loon (voor bewezen diensten): mijne meid krijgt f 200 huur; — geldelijke vergoeding voor iets, dat men huurt: de huur bedraagt f 5; hij betaalt ƒ 500 huur voor dit huis; zij zitten op hooge huur; — het huren : land in huur hebben; eene huur sluiten; iem. de huur opzeggen; een huis te huur hangen (of slaan), een p...

Lees verder
1898
2021-05-11
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Huur

zie Loon.