Wat is de betekenis van huisknecht?

2025-12-16
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Huisknecht

m. (-s), mannelijk bediende voor huiselijke bezigheden; ook in een hotel.

2025-12-16
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

huisknecht

huisknecht - zelfstandig naamwoord uitspraak: huis-knecht 1. mannelijke bediende voor huiselijke bezigheden ♢ in dit hotel hebben ze een huisknecht Zelfstandig naamwoord: huis-knecht de huisknecht ...

2025-12-16
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

huisknecht

m. -s; knecht voor huiselijke bezigheden

2025-12-16
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

huisknecht

m. (-en, -s) mannelijke huisbediende.

2025-12-16
Prisma Groot Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)

2025-12-16
Woordenboek Nederlands-Turks

Mehmet Kiriş (2024)

2025-12-16
Prisma Woordenboek Nederlands

Unieboek | Het Spectrum (2025)