Wat is de betekenis van huisbewaarder?

2020
2021-06-23
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

huisbewaarder

Het begrip huisbewaarder heeft 2 verschillende betekenissen: 1) iemand die op een huis past. iemand die een gebouw, een pand bewaakt bij afwezigheid van de eigenaar(s); iemand die op een huis past als de bewoners weg zijn. 2) conciërge. iemand die toezicht houdt op een (openbaar) gebouw, bv. een school, of alleen de toegang tot...

Lees verder
2019
2021-06-23
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

huisbewaarder

huisbewaarder - Zelfstandignaamwoord 1. iemand die in een huis woont als de eigenaar afwezig is om het te bewaken en te onderhouden Natuurlijk, dat is goed, zei de graaf verstrooid. Maar daar gaat het nu niet om, en ik verzoek je je niet met dat soort futiliteiten bezig te houden, ga liever helpen met pakke...

Lees verder
2015
2021-06-23
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

huisbewaarder

conciërge Ik bepaalde het aantal tekeningen dat in een nummer kwam. Maar bovendien woonde ik met De Nieuwe onder één dak; behalve huistekenaar was ik huisbaas en huisbewaarder van het weekblad. (Johan Anthierens, De overspannen jaren) Wordt beschouwd als een purisme. Geen Algmeen Nederlands Gangbaarheid: 5 Vlaams...

Lees verder
1990
2021-06-23
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

huisbewaarder

huisbewaarder - Personen die fungeren als bewoners met de zorg voor het onderhoud, reparatiewerk en bescherming van het huis, landgoed of boerderij van de afwezige eigenaren..

1973
2021-06-23
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

huisbewaarder

m. (-s), 1. iemand die tijdens afwezigheid van de bewoners het huis bewaakt; 2. conciërge van een flatgebouw.

1950
2021-06-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Huisbewaarder

m. (-s), HUISBEWAARSTER, v. (-s), iem. die tijdens afwezigheid der bewoners een huis betrekt ten einde het te bewaken.