Wat is de betekenis van huidig?

2019
2022-07-06
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

huidig

huidig - Bijvoeglijk naamwoord 1. bij het heden behorend De huidige minister is erg intelligent. Woordherkomst afgeleid van heden met het achtervoegsel -ig Synoniemen hedendaags, tegenwoordig Antoniemen gewezen, vroeger

Lees verder
2018
2022-07-06
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

huidig

huidig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: hui-dig 1. van deze tijd ♢ de huidige burgemeester is een Noord-Hollander Bijvoeglijk naamwoord: hui-dig de/het huidige ... Synoniemen eigentijds, hedendaags,...

Lees verder
1973
2022-07-06
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

huidig

bn., van heden: de huidige dag, vandaag; ten huidigen dage, thans; tot de huidige dag toe, tot nu toe; (uitbr.) van deze tijd: het huidige geslacht, de mensen van nu.

1952
2022-07-06
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Huidig

adj., hjoeddeisk.

1950
2022-07-06
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Huidig

bn., van heden: de huidige dag, vandaag; ten huidigen dage, thans; tot de huidige dag toe, tot nu toe ; — (uitbr.) van deze, onze tijd: het huidige geslacht, de mensen van nu.

Lees verder
1937
2022-07-06
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

huidig

bn.; hedendaags; de huidige mode, tot op de huidige dag, ten huidigen dage.

1921
2022-07-06
Levende taal

T. Pluim - 1921

Huidig

afl. van ’t oude huide, in 't Oudsaksisch (de taal van een onzer vroegere volksstammen) huidiga, d.i. deze dag, waarbij ’t eerste lid den klemtoon had en zoo het geheel deed verkorten tot huide. (Vergl. ’t Fr. au jour d ’hui).

1898
2022-07-06
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Huidig

HUIDIG, bn. van heden: ten huldigen dage, thans; tot den huldigen dag toe, tot nu toe; het huidige geslacht, de menschen van nu.