Houden
(hield, heeft gehouden), I. overg. en wederk., 1. niet loslaten, zorgen dat hetgeen men vast heeft niet uit de hand, de greep schiet, niet ontsnapt: wil je dat touw even houden? ; de teugel houden ; houden en beleggen ; de beer hield hem in zijn klauwen; iem. gevangen, in banden houden; 2. (in zwakker opvatting) gevat, beethe...